ECLI:NL:RBDHA:2024:18126
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
De rechtbank Den Haag heeft het beroep van eiser beoordeeld tegen het besluit van 3 september 2024 waarbij de minister de asielaanvraag van eiser niet in behandeling heeft genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening.
Eiser stelde dat het standaardvoornemen onzorgvuldig was en dat hij niet goed kon reageren, wat in strijd zou zijn met de Algemene wet bestuursrecht en de Vreemdelingenwet. De rechtbank oordeelde dat het voornemen een voorbereidingshandeling is en dat eiser voldoende gelegenheid had om te reageren via een zienswijze. Het bestreden besluit was voldoende gemotiveerd en betrof een zorgvuldige voorbereiding.
Verder voerde eiser aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt vanwege een systeemfout in Oostenrijk, met name door beperkingen in de rechtsbijstand en risico op indirect refoulement. De rechtbank stelde dat volgens jurisprudentie van het Hof van Justitie en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het vertrouwensbeginsel voor Oostenrijk nog steeds geldt. Het Oostenrijkse systeem voldoet aan de Procedurerichtlijn en de stellingen van eiser zijn onvoldoende aannemelijk gemaakt.
De rechtbank concludeerde dat de minister terecht is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en kan binnen een week hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.