ECLI:NL:RBDHA:2024:20599
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen verlenging overdrachtstermijn Dublinverordening niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken procesbelang
Eiser, een Syriër, diende op 30 januari 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. Uit Eurodac bleek dat hij eerder in Griekenland en Kroatië verzoeken om internationale bescherming had ingediend. De minister verzocht Kroatië om eiser terug te nemen op grond van de Dublinverordening, en Kroatië stemde hiermee in. Op 25 september 2024 besloot de minister de overdrachtstermijn te verlengen omdat eiser was ondergedoken en met onbekende bestemming was vertrokken.
Eiser stelde beroep in tegen dit verlengingsbesluit. De rechtbank behandelde het beroep op 2 december 2024. Tijdens de zitting gaf de gemachtigde van eiser aan geen contact meer te hebben met eiser sinds tien dagen en de verblijfplaats onbekend was. De rechtbank stelde ambtshalve de vraag of eiser nog procesbelang had bij de behandeling van het beroep.
Procesbelang ontbrak omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken zonder contact met zijn gemachtigde, en hij geen schade had gesteld die het gevolg was van het besluit. Gezien vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State betekent dit dat het beroep niet meer van feitelijke betekenis is voor eiser.
De rechtbank verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk en ging niet inhoudelijk op de zaak in. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd mondeling gedaan door rechter Overmars in aanwezigheid van de griffier.
Uitkomst: Het beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.