ECLI:NL:RVS:2023:3557
Raad van State
- Hoger beroep
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Vaststelling schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in AVG-handhavingsprocedure tegen RDW
In deze zaak hebben [appellant A] en anderen bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) om niet op te treden tegen de RDW wegens vermeende schendingen van de AVG bij registervergelijkingen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
De appellanten kregen boetes opgelegd terwijl zij geen houder waren van de voertuigen, en vorderden handhaving en schadevergoeding. De AP stelde dat de RDW conform de AVG handelde en dat onjuiste persoonsgegevens werden gecorrigeerd. De rechtbank vond dat appellanten geen belang hadden bij een inhoudelijke beoordeling.
De Raad van State oordeelt dat de redelijke termijn van de procedure is overschreden met acht maanden, voornamelijk door de duur van de bestuursrechterlijke fase. De Afdeling vernietigt het deel van het vonnis dat het schadevergoedingsverzoek afwees en kent aan iedere appellant een vergoeding van € 1.000 toe voor immateriële schade. Tevens worden proceskosten en griffierechten aan appellanten vergoed.
Uitkomst: De Afdeling kent aan appellanten een schadevergoeding van € 1.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.