ECLI:NL:RBDHA:2024:21283

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2024
Publicatiedatum
17 december 2024
Zaaknummer
NL24.42997
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 8:72 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 Awb
Verwijzingen
14 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag na overschrijding beslistermijn

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag, nadat de minister de in een eerdere uitspraak gestelde beslistermijn had overschreden. De rechtbank bevestigt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is, omdat de minister niet binnen de opgelegde termijn heeft beslist.

De rechtbank verwijst naar jurisprudentie waarin het 8+8-wekenmodel wordt gehanteerd voor beslistermijnen bij asielaanvragen, maar stelt dat bij overschrijding van de bovengrens van 21 maanden een kortere termijn passend is. In dit geval acht de rechtbank een termijn van acht weken voldoende en redelijk voor een zorgvuldige beslissing.

De minister wordt opgedragen binnen acht weken na bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. Voor elke dag dat de minister deze termijn overschrijdt, wordt een dwangsom van € 100 opgelegd, met een maximum van € 7.500. Tevens wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van eiser ter hoogte van € 437,50.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de minister op binnen acht weken een besluit te nemen, onder oplegging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.42997

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S.R. Nohar),
en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: Y. Khdim).

Procesverloop

1.1
Eiser heeft een beroep ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 21 november 2022.
1.2.
Bij uitspraak van 21 juni 2024 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg [1] , een eerder beroep gericht tegen niet tijdig beslissen gegrond verklaard en de minister opgedragen om binnen acht weken na de dag van verzending van die uitspraak alsnog een besluit bekend te maken onder verbeuring van een dwangsom van € 100 per dag met een maximum van € 7.500.
1.3
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het (tweede) beroep dat eiser op 4 november 2024 heeft ingediend.
1.4.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

2. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
3. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser terecht een tweede beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen heeft ingediend. De rechtbank stelt vast dat de opgedragen termijn uit de onder 1.2. vermelde uitspraak is verstreken. Er is met het indienen van het beroep op 4 november 2024 voldaan aan de voorwaarden voor een ontvankelijk en gegrond beroep. [2]
4. Het beroep is daarom kennelijk gegrond.
5. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank, gelet op de jurisprudentie ter zake (ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353) een rechterlijke dwangsom opleggen en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b van de Awb bepalen dat de minister alsnog een besluit bekend dient te maken op de asielaanvraag van eiser. In de uitspraak van 8 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1560) heeft de Afdeling het 8+8-wekenmodel passend geacht.
6. De rechtbank is van oordeel dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden [3] is overschreden in beginsel een kortere termijn dan volgens het 8+8-wekenmodel dient te worden gegeven om een beslissing te nemen op de asielaanvraag. Wel blijft het van belang dat de beslissing op zorgvuldige wijze wordt genomen. De rechtbank zal daarom tot uitgangspunt nemen dat de minister in zo’n geval binnen acht weken op de asielaanvraag dient te beslissen. Bijzondere omstandigheden kunnen voor de rechtbank aanleiding zijn om van dit uitgangspunt af te wijken door de minister een andere termijn te geven. In dit geval is niet gebleken van dergelijke omstandigheden. De rechtbank acht het niet onmogelijk voor de minister om op zorgvuldige wijze binnen acht weken een besluit te nemen. Dit betekent dat de minister binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken.
7. Met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden door de minister. Daarbij geldt wel een maximum van € 7.500,-.
8. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee zij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Tijnagel, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

2.Zie artikel 6:2, aanhef en onder b, artikel 6:12, tweede lid, van de Awb in samenhang met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), van 8 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:673), waaruit volgt dat een nieuwe ingebrekestelling niet is vereist en de uitspraak van
3.Uit artikel 31, vijfde lid van de Procedurerichtlijn.