ECLI:NL:RBDHA:2024:22912
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen
Eiser, met de Oekraïense nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag niet in behandeling omdat Polen verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening.
Eiser stelde dat het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd was en dat verweerder de bezwaren tijdens het Dublingehoor niet adequaat had betrokken. Tevens wees hij op schendingen van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, overschrijding van termijnen bij het afnemen van vingerafdrukken, en fundamentele systeemfouten in Polen, waaronder pushbacks en slechte detentieomstandigheden.
De rechtbank oordeelde dat het voornemen een voorbereidingshandeling is en dat verweerder in het besluit voldoende duidelijk had gemotiveerd waarom Polen verantwoordelijk is. De zienswijze en het Dublingehoor werden adequaat betrokken. De overschrijding van termijnen was niet doorslaggevend volgens jurisprudentie. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en eiser had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Polen zijn internationale verplichtingen niet nakomt.
Ook was er geen reden om het asielverzoek aan zich te trekken op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.