ECLI:NL:RBDHA:2024:3285

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 maart 2024
Publicatiedatum
13 maart 2024
Zaaknummer
NL23.35745
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij uitstel van vertrek

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin haar verzoek om uitstel van vertrek uit Nederland werd afgewezen. Het verzoek om uitstel was gebaseerd op artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, dat tijdelijk uitstel kan verlenen wegens medische omstandigheden.

Tijdens de zitting op 11 maart 2024 heeft de rechtbank overwogen dat procesbelang vereist is om het beroep ontvankelijk te verklaren. Omdat eiseres inmiddels naar Armenië is vertrokken, kan zij niet meer bereiken dat haar vertrek wordt uitgesteld. Daarnaast heeft zij onvoldoende onderbouwd welke schade zij door het besluit heeft geleden, waardoor ook op dat punt geen procesbelang aanwezig is.

De rechtbank verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd mondeling gegeven door rechter M. Munsterman in aanwezigheid van griffier J.A. Hessels. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang omdat eiseres is vertrokken en geen schade heeft onderbouwd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.35745
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. D. Gürses),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris

(gemachtigde: mr. D.L. Boer).

Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van haar verzoek om uitstel van vertrek ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (zaaknummer NL23.15329), op 11 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de staatssecretaris deelgenomen.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
1.1.
Procesbelang bestaat als eiseres met de behandeling van het beroep nog kan bereiken wat zij met het instellen van beroep wilde bereiken. [1] Van procesbelang kan ook sprake zijn als er schade is geleden door het besluit. Dan is wel vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat de gestelde schade daadwerkelijk het gevolg is van het besluit. [2]
1.2.
De rechtbank overweegt dat artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) is bedoeld om tijdelijk uitstel van vertrek uit Nederland te verlenen vanwege een medische situatie. Omdat eiseres is vertrokken naar Armenië, kan zij met haar beroep niet meer bereiken dat haar vertrek tijdelijk wordt uitgesteld. Verder heeft eiseres niet onderbouwd welke schade zij heeft geleden als gevolg van het besluit, de enkele stelling dat zij schade heeft geleden is onvoldoende. Eiseres heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2024 door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Hessels, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.