Eiser, van Eritrese nationaliteit, kreeg in 2015 een asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. In 2023 trok de staatssecretaris deze vergunning in wegens een ernstig zedenmisdrijf en een actuele bedreiging van de openbare orde. Eiser voerde aan dat hij geen gevaar meer vormt en dat hij recht heeft op een vergunning op de a-grond vanwege dienstweigering.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet is getoetst of op het moment van verlening een andere grond (de a-grond) van toepassing was, terwijl eiser dit aan de orde stelde. De rechtbank stelt vast dat eiser een belang heeft bij deze toetsing, mede gelet op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Verder is het oordeel van de staatssecretaris dat eiser een actuele en ernstige bedreiging vormt, voldoende gemotiveerd. Het terugkeerbesluit en inreisverbod zijn ingetrokken. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.