ECLI:NL:RBDHA:2024:4960
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000
In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank Den Haag het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die op 4 augustus 2023 is opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is reeds meerdere malen door de rechtbank getoetst en telkens als rechtmatig beoordeeld.
Eiser voert aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Gambia vanwege vermeende onvoldoende medewerking van de Gambiaanse autoriteiten en wijst op Europese Commissie-rapporten en jurisprudentie van het EHRM. De rechtbank oordeelt dat de Gambiaanse autoriteiten wel medewerking verlenen, de lp-aanvraag in behandeling is en dat eiser onvoldoende meewerkt aan zijn uitzetting. De verwijzingen naar het Mikolenko- en Massoud-arrest leiden niet tot een ander oordeel vanwege de specifieke omstandigheden in die zaken.
Verder stelt eiser dat een lichter middel dan bewaring volstaat, maar de rechtbank concludeert dat de weigering van eiser om mee te werken het risico op onttrekking in stand houdt en dat het belang van de staatssecretaris bij voortzetting van de maatregel zwaarder weegt. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en de maatregel blijft gehandhaafd.