ECLI:NL:RBDHA:2024:529
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Verblijfsvergunning regulier bij vader niet ingetrokken, beroep ongegrond
Eiser, met de Nederlandse nationaliteit, had een reguliere verblijfsvergunning als gezinslid bij zijn vader. Na intrekking van de verblijfsvergunning van zijn vader met terugwerkende kracht, werd ook de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken. Dit besluit werd later herroepen, waardoor de verblijfsvergunning van eiser bleef bestaan.
Eiser stelde dat de ingangsdatum van zijn verblijfsvergunning eerder moest zijn dan vastgesteld en dat hij onterecht geen proceskostenvergoeding ontving. De rechtbank oordeelde dat de ingangsdatum van 25 juli 2018 vaststaat en niet kan worden gewijzigd via deze procedure.
Verder is geen sprake van een onrechtmatig besluit dat vergoeding van proceskosten rechtvaardigt, omdat de herroeping van het primaire besluit gebaseerd was op nieuwe informatie die na het besluit beschikbaar kwam.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de proceskostenvergoeding af. Het beroep is ontvankelijk omdat eiser nog belang heeft bij de beoordeling van zijn verzoek om proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en proceskostenvergoeding wordt afgewezen.