ECLI:NL:RBDHA:2024:6267
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvragen wegens verantwoordelijkheid Duitsland op grond van Dublinverordening
Eisers, allen van Syrische nationaliteit, hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. De staatssecretaris baseerde dit op de Dublinverordening, waarbij Duitsland als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen.
De rechtbank heeft op 21 maart 2024 de beroepen behandeld en beoordeelt dat het voornemen tot het besluit een voorbereidingshandeling is zonder rechtsgevolg. Eisers stelden dat het voornemen onvoldoende op hun omstandigheden was ingegaan, maar de rechtbank verwierp dit en oordeelde dat de staatssecretaris in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd heeft gereageerd.
Eisers voerden aan dat het terugnameverzoek aan Duitsland onvolledig was omdat niet werd vermeld dat een meerderjarig familielid in Nederland een asielprocedure had lopen. De rechtbank oordeelde dat dit niet relevant was omdat het familielid meerderjarig is en niet als gezinslid in de zin van de Dublinverordening wordt beschouwd.
Verder stelde eisers dat Nederland op grond van artikel 9 of Pro 10 van de Dublinverordening hun aanvraag aan zich had moeten trekken vanwege het verblijf van hun familielid in Nederland. De rechtbank verwierp dit omdat het familielid meerderjarig is en deze artikelen daarom niet van toepassing zijn.
Tot slot stelde eisers dat bijzondere omstandigheden een overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid maken, maar de rechtbank vond het enkele feit dat het familielid in Nederland verblijft onvoldoende voor een uitzondering. De beroepen zijn daarom ongegrond verklaard en de besluiten blijven in stand.
Uitkomst: De beroepen tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen worden ongegrond verklaard en de besluiten blijven in stand.