ECLI:NL:RBDHA:2024:7256
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning ideële schadevergoeding wegens onrechtmatige intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod
Verzoeker, met Marokkaanse nationaliteit en sinds 1981 in Nederland verblijvend, kreeg zijn verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken en een tienjarig inreisverbod opgelegd. Na bezwaar en beroep werd dit besluit door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in 2022 onrechtmatig verklaard en vernietigd. Verzoeker vroeg vervolgens vergoeding van schade.
De rechtbank oordeelde dat verzoeker onvoldoende had aangetoond dat hij daadwerkelijk vermogensschade had geleden, mede omdat het vreemdelingenrecht niet strekt tot bescherming van vermogensrechtelijke belangen. Het verzoek tot vergoeding van vermogensschade werd daarom afgewezen.
Voor ideële schade stelde de rechtbank vast dat de intrekking van de verblijfsvergunning en het inreisverbod een aantasting van fundamentele rechten vormden, waaronder het privé- en gezinsleven, beschermd door artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank achtte een ideële schadevergoeding op zijn plaats en stelde deze vast op €7.500, gebaseerd op richtlijnen voor smartengeld.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €1.750. De uitspraak werd gedaan door rechter A.C.J. van Dooijeweert op 6 mei 2024 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Verzoek om vermogensschadevergoeding afgewezen, ideële schadevergoeding van €7.500 en proceskosten van €1.750 toegewezen.