Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Syrische asielzoeker, diende op 30 december 2024 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Bulgarije volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is, gelet op een eerdere aanvraag van eiser in Bulgarije op 3 juni 2024. Tevens verlengde verweerder de overdrachtstermijn naar achttien maanden vanwege vermeende onderduik van eiser.
Eiser voerde aan dat het besluit onvoldoende zorgvuldig was, dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Bulgarije niet kon worden toegepast vanwege slechte opvang- en detentieomstandigheden, en dat verweerder ten onrechte geen medisch advies had ingewonnen op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro. Hij overhandigde rapporten en screenshots ter onderbouwing van mishandeling en medische problemen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder in het voornemen voldoende redenen had gegeven en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel terecht werd toegepast. De aangevoerde rapporten boden geen nieuwe inzichten die het vertrouwen in Bulgarije ondermijnen. Medische gegevens toonden geen objectief bewijs dat overdracht een ernstige verslechtering van de gezondheidstoestand zou veroorzaken, zodat geen BMA-advies noodzakelijk was.
Verder concludeerde de rechtbank dat eiser zich doelbewust aan de overdracht had onttrokken door zich niet te melden, wat de verlenging van de overdrachtstermijn rechtvaardigde. De beroepen tegen beide besluiten werden daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: De beroepen tegen de niet-inbehandelingname van de asielaanvraag en de verlenging van de overdrachtstermijn aan Bulgarije worden ongegrond verklaard.