ECLI:NL:RBDHA:2025:10417

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2025
Publicatiedatum
16 juni 2025
Zaaknummer
NL25.11103 en NL25.20230
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 25 DublinverordeningArt. 29 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen weigering asielaanvraag en verlenging overdrachtstermijn op grond van Dublinverordening

Eiser, een Syrische asielzoeker, diende op 30 december 2024 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Bulgarije volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is, gelet op een eerdere aanvraag van eiser in Bulgarije op 3 juni 2024. Tevens verlengde verweerder de overdrachtstermijn naar achttien maanden vanwege vermeende onderduik van eiser.

Eiser voerde aan dat het besluit onvoldoende zorgvuldig was, dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Bulgarije niet kon worden toegepast vanwege slechte opvang- en detentieomstandigheden, en dat verweerder ten onrechte geen medisch advies had ingewonnen op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro. Hij overhandigde rapporten en screenshots ter onderbouwing van mishandeling en medische problemen.

De rechtbank oordeelde dat verweerder in het voornemen voldoende redenen had gegeven en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel terecht werd toegepast. De aangevoerde rapporten boden geen nieuwe inzichten die het vertrouwen in Bulgarije ondermijnen. Medische gegevens toonden geen objectief bewijs dat overdracht een ernstige verslechtering van de gezondheidstoestand zou veroorzaken, zodat geen BMA-advies noodzakelijk was.

Verder concludeerde de rechtbank dat eiser zich doelbewust aan de overdracht had onttrokken door zich niet te melden, wat de verlenging van de overdrachtstermijn rechtvaardigde. De beroepen tegen beide besluiten werden daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: De beroepen tegen de niet-inbehandelingname van de asielaanvraag en de verlenging van de overdrachtstermijn aan Bulgarije worden ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.11103 en NL25.20230

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.H.T. van Boxmeer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovács).

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2025 (het bestreden besluit 1, zaaknr. NL25.11103) heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
Bij het besluit van 28 april 2025 (het bestreden besluit 2, zaaknr. NL25.20230) heeft verweerder de overdrachtstermijn voor overdracht van eiser aan Bulgarije verlengd tot achttien maanden. [2]
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld.
De rechtbank heeft de beroepen op 16 mei 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek ter zitting is geschorst, zodat verweerder in de gelegenheid is gesteld om binnen een week aanvullende stukken aan het dossier toe te voegen. Eiser is in de gelegenheid gesteld om hier nadien eveneens binnen een week op te reageren.
Verweerder heeft op 19 mei 2025 en 23 mei 2025 aanvullende stukken toegevoegd aan het dossier. Op 22 mei 2025 is een reactie van eiser ontvangen.
De rechtbank heeft vervolgens op 4 juni 2025 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2002 en de Syrische nationaliteit te hebben. Hij heeft op 30 december 2024 een asielaanvraag ingediend.
2. Bij het bestreden besluit 1 heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 3 juni 2024 in Bulgarije al een asielaanvraag heeft ingediend. Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening is Bulgarije verantwoordelijk voor de asielaanvraag. Nederland heeft op grond hiervan een verzoek om terugname gedaan. Op 8 januari 2025 heeft Bulgarije het verzoek aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Bulgarije vaststaat. [3]
3. Bij het bestreden besluit 2 heeft verweerder de overdrachtstermijn verlengd tot achttien maanden, omdat eiser was ondergedoken.
4. Op wat eiser hiertegen aanvoert, wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Beroep tegen het bestreden besluit 1 (NL25.11103)
5. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Verweerder heeft gebruikgemaakt van een zogenaamde standaardvoornemen, zodat dit niet voldoet aan de zorgvuldigheidsvereisten. Verder kan ten aanzien van Bulgarije niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Eiser vreest als Dublinterugkeerder na overdracht aan Bulgarije geen reguliere opvang te krijgen en gedetineerd te worden. De opvang-/detentieomstandigheden zijn nog steeds slecht en mensen in detentie worden mishandeld. Verder zijn de vereisten voor een eerlijk proces in Bulgarije laag. Ter onderbouwing hiervan verwijst hij naar de update van het AIDA [4] -rapport van 27 maart 2025 (pagina’s 86, 87, 102 en 106), een Duits rapport van Stephan Reichel en het USDOS [5] -rapport van 22 april 2024. Daarnaast heeft eiser een aantal screenshots overgelegd, waaruit naar hij stelt blijkt dat hij is mishandeld in Bulgarije. Tot slot had verweerder op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening de asielaanvraag aan zich moeten trekken, waarbij eiser verwijst naar zijn medische omstandigheden en zijn ervaringen in Bulgarije. Ter onderbouwing hiervan verwijst hij naar zijn GZA [6] -dossier. Verweerder had gelet hierop een BMA [7] -onderzoek moeten laten uitvoeren, aldus eiser.
Standaardvoornemen
6. De Afdeling [8] heeft bij uitspraak van 11 april 2025 [9] geoordeeld dat verweerder in het voornemen in elk geval alle dragende overwegingen moet opnemen. Het is dan niet onzorgvuldig als verweerder vervolgens pas in het bestreden besluit gedetailleerd ingaat op wat eisers in hun persoonlijke verklaringen en eventuele zienswijze naar voren hebben gebracht. Verweerder heeft in het geval van eiser in het voornemen voldoende duidelijk uiteengezet op grond van welke redenen Bulgarije verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag en waarom geen aanleiding wordt gezien om toepassing te geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Hierbij zijn ook de persoonlijke omstandigheden die eiser naar voren heeft gebracht tijdens het aanmeldgehoor, zoals zijn medische omstandigheden, betrokken, zodat het voornemen alle dragende overwegingen bevat.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
7. Verweerder mag er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel vanuit gaan dat Bulgarije zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Uit jurisprudentie van de Afdeling blijkt dat ten aanzien van Bulgarije nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [10] In wat eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om hier anders over te oordelen. In de door eiser vermelde passages uit het AIDA-rapport van 27 maart 2025 leest de rechtbank geen wezenlijk andere informatie over de situatie van asielzoekers en de opvangvoorzieningen in Bulgarije dan uit eerdere AIDA-rapporten daarover al bekend was en die door de Afdeling in haar voornoemde uitspraken al bij de beoordeling zijn betrokken. Dat geldt eveneens voor het Duitse rapport en het USDOS-rapport. Bulgarije heeft immers met het claimakkoord gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen. Mocht eiser na overdracht aan Bulgarije van mening zijn dat Bulgarije zijn verplichtingen – ten aanzien van onder meer de opvang en de behandeling van asielzoekers – niet nakomt, ligt het op zijn weg om daarover in Bulgarije te klagen bij de (hogere) autoriteiten. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet gebleken. Ook is niet gebleken dat de autoriteiten van Bulgarije hem niet zouden kunnen of willen helpen. Voor zover eiser met de screenshots wil aantonen dat hij is mishandeld in Bulgarije, kan de rechtbank dit niet vaststellen aan de hand van de overgelegde screenshots.
Medische situatie en artikel 17 van Pro de Dublinverordening
8. Uit het arrest C.K. [11] en de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2017 [12] waarin het hiervoor genoemde arrest van het Hof van Justitie is uitgewerkt, volgt dat verweerder een BMA-advies hoort op te vragen als uit objectieve medische gegevens blijkt dat de overdracht van een vreemdeling aan de verantwoordelijke lidstaat een zodanig ernstige invloed heeft op zijn mentale of fysieke toestand dat er sprake is van een reëel en onderbouwd risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand. Uit het GZA-dossier volgt dat eiser slaapproblemen en hoofdpijn heeft. Ook volgt hieruit dat eiser zelf heeft aangegeven dat hij last van epileptische aanvallen en suïcidale gedachten heeft. Echter blijkt niet uit objectieve medische gegevens dat de feitelijke overdracht aan Bulgarije een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand van eiser met zich brengt. Verweerder heeft dan ook geen BMA-advies hoeven op te vragen, voordat eiser wordt overgedragen aan Bulgarije. Verder is in artikel 32 van Pro de Dublinverordening geregeld dat de Bulgaarse autoriteiten bij de overdracht in kennis kunnen worden gesteld van eisers medische behoeften.
9. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eisers omstandigheden geen aanleiding vormen om zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich te trekken.
Beroep tegen het bestreden besluit 2 (NL25.20230)
10. Eiser voert aan dat hij niet is ondergedoken geweest en altijd in het AZC [13] te ’s-Gravendeel heeft verbleven. Ter zitting geeft hij aan geen aanzegging te hebben gehad om naar het AZC in Gouda te gaan. Inmiddels verblijft hij niet in een AZC maar bij vrienden, zodat nog altijd geen sprake is van onttrekking aan het toezicht.
11. Uit artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening volgt dat, indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de betrokkene over te nemen of terug te nemen komt te vervallen en de verantwoordelijkheid overgaat op de verzoekende lidstaat. Indien de overdracht niet kon worden uitgevoerd, kan deze termijn tot maximaal 18 maanden worden verlengd indien de betrokkene onderduikt. Deze bepaling moet zo worden uitgelegd dat een betrokkene onderduikt wanneer deze persoon doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, met het doel om deze overdracht te voorkomen. [14]
12. Uit het verslag van het gesprek met de casemanager van het COa [15] blijkt dat eiser op 22 april 2025 is aangezegd om zich op 23 april 2025 te melden bij de DOL [16] in Gouda. Hierbij is aangegeven dat eiser 48 uur heeft om zich aldaar te melden. Indien hij dit niet doet, zal worden geregistreerd dat hij met onbekende bestemming is vertrokken. Omdat eiser zich niet heeft gemeld in Gouda en weinig spullen van hem aanwezig waren, is geregistreerd dat hij met onbekende bestemming is vertrokken. Verder blijkt uit dit verslag dat eiser pas op 29 april 2025 weer op het AZC in ’s-Gravendeel is verschenen. Eiser heeft nagelaten verweerder op de hoogte te stellen van zijn nieuwe verblijfplaats. Verweerder heeft op basis hiervan niet ten onrechte geconcludeerd dat eiser is ondergedoken. Dat eiser zich nadien weer heeft gemeld in ’s-Gravendeel leidt niet tot een andere conclusie. Daarbij verblijft hij op dit moment bij vrienden, waarvan hij nog altijd geen melding heeft gedaan bij verweerder.
Conclusie
13. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen. Ook heeft verweerder de overdrachtstermijn kunnen verlengen. De beroepen zijn ongegrond.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 16 juni 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening).
3.Op grond van artikel 25, eerste lid, van de Dublinverordening.
4.Asylum Information Database.
5.U.S. Department of State.
6.Gezondheidszorg Asielzoekers.
7.Bureau Medische Advisering.
8.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
9.ABRvS 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1642.
10.ABRvS 27 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2647, 14 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2025:1080 en 12 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2130.
11.Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.
12.ABRvS 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980.
13.Asielzoekerscentrum.
14.ABRvS 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3630.
15.Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
16.Dublin Opvang Locatie.