ECLI:NL:RBDHA:2025:10968

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2025
Publicatiedatum
23 juni 2025
Zaaknummer
NL25.15067
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • O. El Kadi
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 EU HandvestArt. 16 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 18 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Roemenië volgens Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen, omdat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank oordeelt dat eiser procesbelang heeft, ondanks dat hij met onbekende bestemming is vertrokken, omdat hij nog contact onderhoudt met zijn gemachtigde en prijs stelt op bescherming in Nederland. De rechtbank vindt het besluit zorgvuldig tot stand gekomen en wijst de stellingen van eiser over een onjuiste geboortedatum en onjuiste tolktoepassing af.

Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, en eiser heeft onvoldoende objectieve aanknopingspunten aangevoerd om dit te weerleggen. De rechtbank volgt de minister in het oordeel dat Roemenië zijn verdragsverplichtingen nakomt en dat er geen sprake is van ernstige structurele tekortkomingen die overdracht zouden verbieden.

Ook de toepassing van artikel 16 en Pro 17 van de Dublinverordening wordt afgewezen, omdat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie of bijzondere omstandigheden die overdracht onevenredig hard maken.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, het besluit blijft in stand en eiser kan aan Roemenië worden overgedragen.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.15067

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E.A. Welling),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M.J.C. Van der Woning),

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat Roemenië verantwoordelijk is voor de aanvraag. Eiser is het met dit besluit niet eens en vindt dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat de minister ten aanzien van Roemenië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Ook had de minister de aanvraag van eiser op grond van artikel 16 en Pro/of 17 van de Dublinverordening in behandeling moeten nemen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen in stand kan blijven. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Inleiding

2. Met het bestreden besluit van 31 maart 2025 heeft de minister de aanvraag van 3 januari 2025 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen. [1]
2.1.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL25.15068, op 7 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van eiser en de minister deelgenomen.

Beoordeling

Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Roemenië een verzoek om terugname gedaan. [3] Roemenië heeft hierop niet tijdig gereageerd. Dat staat gelijk aan het aanvaarden van het verzoek. [4]
Procesbelang
4. De minister stelt zich op het standpunt dat geen sprake meer is van procesbelang omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De minister baseert zich op informatie van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa).
4.1.
Uit vaste rechtspraak [5] van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat, wanneer een vreemdeling die een asielaanvraag heeft ingediend met onbekende bestemming vertrekt, zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er dan in principe van uit kan worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem in eerste instantie gezochte bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als een vreemdeling nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming.
4.2.
De gemachtigde van eiser heeft naar voren gebracht op 6 mei 2025 nog contact met eiser te hebben gehad en op de hoogte te zijn van eisers huidige verblijfplaats in Nederland. De rechtbank leidt hieruit af dat eiser nog prijs stelt op bescherming in Nederland. Eiser heeft dan ook procesbelang.
Is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen?
5. Eiser betoogt dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Eiser heeft gewezen [6] op een onjuiste geboortedatum, desondanks heeft de minister een onjuiste geboortedatum gehanteerd. [7] Daarnaast is er sprake van een onvoldoende gemotiveerde weerlegging van hetgeen eiser in de zienswijze naar voren heeft gebracht ten aanzien van de tolk. Eiser wijst erop dat de minister voor het aanmeldgehoor op 12 januari 2025 ten onrechte gebruik gemaakt van een registertolk in de Engelse taal in plaats van de Lugandese. Eiser stelt zich hierdoor niet volledig te hebben kunnen uiten. Hij had ten tijde van het gehoor heel veel stress en kon/durfde niet aan te geven dat hij de tolk niet goed had verstaan. Eiser is van mening dat het rapport onterecht aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd en dat hij opnieuw gehoord had moeten worden met behulp van een tolk in de Lugandese taal. Dat dit niet is gedaan is naar de mening van eiser onzorgvuldig. De uitspraak waar de minister in het bestreden besluit naar verwijst, betreft volgens eiser geen vergelijkbare zaak [8] , nu er in die zaak correcties en aanvullingen zijn ingediend.
5.1.
De onzorgvuldigheid van de besluitvorming blijkt volgens eiser ook uit pagina 3 van het bestreden besluit, waar ten onrechte wordt gesteld dat de problemen vanwege de seksuele geaardheid alleen in het land van herkomst zouden hebben plaatsgevonden en niet in Roemenië. Eiser heeft tijdens het aanmeldgehoor verklaard dat hij ook in Roemenië problemen heeft ondervonden vanwege zijn seksuele geaardheid en huidskleur en dat dit ten onrechte niet in de besluitvorming is betrokken.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van eiser ligt om voor, tijdens of na het gehoor duidelijk kenbaar te maken dat hij de tolk niet begrijpt en/of begrepen heeft. Nu eiser dit niet heeft gedaan, was er voor de minister geen verplichting om eiser opnieuw te horen. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat uit het aanmeldgehoor niet blijkt dat sprake is geweest van miscommunicatie tussen eiser en de tolk. Eiser heeft volgens de minister zelf verklaard de tolk te hebben kunnen verstaan en te begrijpen in het Engels. Hij heeft op geen enkel moment aangegeven dat hij de tolk niet begreep of dat hij moeite had om de vragen te beantwoorden. Desgevraagd heeft eiser verklaard geen op- of aanmerkingen te hebben op de werkwijze van de tolk. Ook heeft eiser in het identificatie- en verificatiegehoor aangegeven Engels te spreken. Eiser is in de gelegenheid gesteld om correcties en aanvullingen in te dienen, waarvan hij geen gebruik heeft gemaakt.
5.2.1.
Ten aanzien van de stelling van eiser dat hij in Roemenië problemen heeft ondervonden vanwege zijn seksuele geaardheid en huidskleur, en dat dit niet in de besluitvorming is betrokken, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het rapport aanmeldgehoor [9] blijkt dat de minister aan eiser heeft gevraagd of hij persoonlijke problemen heeft ondervonden in Roemenië. Hierop heeft eiser geantwoord dat de enige uitdaging die hij in Roemenië heeft meegemaakt is dat ze niet zorgvuldig zijn. De vraag of hij bezwaren heeft tegen terugkeer naar Roemenië, bijvoorbeeld vanwege discriminatie, beantwoordt hij ontkennend. De verklaringen van eiser zijn duidelijk en ondubbelzinnig en zijn door de minister dan ook terecht op die manier in het bestreden besluit betrokken. De rechtbank volgt eiser daarnaast niet in zijn betoog dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door een andere geboortedatum te hanteren. Dat eiser in beroep met een document komt waarop een andere geboortedatum staat vermeld, maakt niet dat de minister ten tijde van de voorbereiding van het bestreden besluit onzorgvuldig heeft gehandeld door uit te gaan van de geboortedatum die de Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers Ter Apel (DISA) heeft genoteerd bij de ondertekening van eisers asielaanvraag. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding. Het bestreden besluit is zorgvuldig tot stand gekomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht de minister ten aanzien van Roemenië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
Toetsingskader
6. Het uitgangspunt bij de toepassing van de Dublinverordening is dat de minister mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten (in dit geval Roemenië) de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM [10] , het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. [11] Uit artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening volgt dat lidstaten een verzoeker niet mogen overdragen aan de verantwoordelijke lidstaat als ernstig moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor verzoekers in die lidstaat systeemfouten bevatten die resulteren in een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM. Als blijkt dat sprake is van structurele tekortkomingen dan moeten die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om onder het bereik van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU Handvest te vallen. [12] De rechtbank stelt daarbij voorop dat de minister er in beginsel van uit mag gaan dat Roemenië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is daarom aan eiser om dat vermoeden aan de hand van objectieve aanknopingspunten te weerleggen. De minister moet bij zijn beoordeling alle informatie betrekken die de verzoeker heeft ingebracht, en ook uit eigen beweging rekening houden met relevante en objectieve informatie waarvan hij kennis heeft. [13]
6.1.
Eiser betoogt dat ten aanzien van Roemenië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Roemeense asielprocedure is op meerdere punten niet in overeenstemming met de Procedurerichtlijn, waardoor niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser stelt dat er sprake is van aan de asielprocedure en opvangvoorzieningen gerelateerde tekortkomingen. Eiser zal hierdoor onvoldoende in de gelegenheid worden gesteld om gebruik te maken van de voor een asielprocedure vereiste voorzieningen en loopt het risico op schending van artikel 4 van Pro het EU Handvest dan wel artikel 3 van Pro het EVRM. Het is eiser daarnaast onduidelijk hoe hij zijn basisrechten, zoals in het arrest Ibrahim [14] van het Hof van Justitie zijn geduid, kan effectueren. Hij heeft de slechte omstandigheden in Roemenië persoonlijk ondervonden [15] en de mogelijkheid om te klagen bij de Roemeense autoriteiten was er niet. Eiser stelt dat de minister op geen enkele wijze is ingegaan op zijn persoonlijke omstandigheden, maar dat de minister naar aanleiding van zijn persoonlijke omstandigheden wel onderzoek naar de huidige situatie in Roemenië had moeten doen.
6.2.
De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat het algemene uitgangspunt is, dat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit mag worden gegaan dat Roemenië zijn verdragsverplichtingen nakomt. De minister verwijst in dit verband terecht naar een aantal uitspraken van de Afdeling. [16] Gelet hierop stelt de minister niet ten onrechte dat er geen aanwijzingen zijn dat bij een overdracht aan Roemenië een situatie zal ontstaan in strijd met artikel 4 van Pro het EU Handvest of artikel 3 van Pro het EVRM. De minister stelt dat in het arrest Ibrahim door het Hof van Justitie wordt benadrukt dat tekortkomingen alleen onder artikel 4 van Pro het EU Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM vallen als ze een "bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid", zoals in het arrest Jawo, bereiken. Of dat zo is, hangt af van alle omstandigheden van het geval. De drempel wordt bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van de betrokken lidstaat ertoe leidt dat iemand die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn eigen wil en keuzes om, terechtkomt in een "toestand van zeer verregaande materiële deprivatie". Een grote onzekerheid of sterke verslechtering van de leefomstandigheden, is onvoldoende om deze hoge drempel van zwaarwegendheid te bereiken. Dat de sociale bescherming en de levensomstandigheden niet in alle lidstaten op hetzelfde niveau is, doet er volgens het Hof van Justitie ook niet toe.
6.2.1.
Eiser is er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat hij na overdracht aan Roemenië in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie zal belanden. Eiser heeft in het aanmeldgehoor [17] verklaard dat hij in Roemenië opvang heeft gehad vanaf het moment dat hij bescherming had aangevraagd tot aan het moment van de afwijzing van zijn asielaanvraag. In de afwijzing stond dat hij binnen 14 dagen Roemenië moest verlaten. Hierna is hij uit de opvang vertrokken. Uit deze en ook uit andere verklaringen van eiser blijkt niet dat hij verstoken is geweest van opvang en tegen systeem gerelateerde tekortkomingen is aangelopen. [18] De minister stelt niet ten onrechte dat eiser onvoldoende aanknopingspunten naar voren heeft gebracht op basis waarvan de minister onderzoek had moeten doen of om te kunnen stellen dat sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure in Roemenië. De rechtbank is van oordeel dat de minister ten aanzien van Roemenië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. [19] De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister aanleiding moeten zien om toepassing te geven aan artikel 16 van Pro de Dublinverordening?
7. Eiser vindt dat de minister ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om artikel 16 van Pro de Dublinverordening, van toepassing te verklaren. Volgens eiser is sprake van meer dan een gebruikelijke afhankelijkheid van zijn in Nederland verblijvende partner. Hij verwijst in dit kader naar een handgeschreven verklaring van zijn partner.
7.1.
Uit artikel 16 van Pro de Dublinverordening volgt dat wanneer tussen een vreemdeling en een kind, broer, zus of ouder met rechtmatig verblijf in een van de lidstaten een afhankelijkheidsrelatie bestaat als gevolg van zwangerschap, een pasgeboren kind, een ernstige ziekte of een hoge leeftijd, de lidstaat ervoor zorgt dat deze familieleden bij elkaar kunnen blijven, mits er in het land van herkomst reeds familiebanden bestonden en het verzorgende familielid in staat is om voor de afhankelijke persoon te zorgen en zij hebben verklaard dit te willen. Het beleid voor de toepassing van artikel 16 van Pro de Dublinverordening is opgenomen in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
7.2.
De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat dit artikel niet op eiser van toepassing is. De identiteit van de partner is de minister tot op heden onbekend. Eiser heeft ook niet aangetoond waar de afhankelijkheid van zijn partner uit bestaat. Eiser heeft slechts een handgeschreven verklaring van zijn partner in de procedure gebracht, maar de gestelde afhankelijkheid bijvoorbeeld niet met (medische) stukken onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een afhankelijkheid als bedoeld in artikel 16 van Pro de Dublinverordening. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 16 van Pro de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister de aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich moeten trekken?
8. Op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening mag de minister een asielaanvraag ook onverplicht in behandeling nemen als hij voor de behandeling daarvan niet verantwoordelijk is. De minister mag zelf bepalen wanneer hij van deze bevoegdheid gebruik maakt. De rechtbank moet daarom op dit onderdeel terughoudend toetsen. In het beleid van de minister staat dat van deze bevoegdheid terughoudend gebruik wordt gemaakt, onder meer in de situatie dat bijzondere, individuele omstandigheden maken dat overdracht van onevenredige hardheid zou getuigen. [20]
8.1.
Eiser stelt dat er in zijn geval sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die de minister verplichten om de asielaanvraag naar zich toe te trekken. Deze omstandigheden hebben onder andere te maken met discriminatie in Roemenië en eisers medische situatie. Eiser voert aan dat medische informatie is opgevraagd. Hij heeft traumatische ervaringen opgedaan in Roemenië, onder andere als gevolg van de slechte en inhumane omstandigheden in de gesloten opvang waar hij heeft verbleven. Voor eiser zijn dit bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht naar Roemenië van een onevenredige hardheid getuigt.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat er geen aanleiding is om de aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening in behandeling te nemen. De door eiser aangevoerde omstandigheden hebben betrekking op de vraag of er concrete aanwijzingen zijn dat Roemenië zijn internationale verplichtingen niet nakomt en die vraag heeft de minister al ontkennend beantwoord. Eiser heeft niet nader onderbouwd met (medische) documenten dat sprake is van (ernstige) psychische gevolgen van de gestelde ervaringen in Roemenië. Er zijn ook geen aanwijzingen dat eiser in Nederland specialistische zorg nodig heeft of een behandeling dient te ondergaan. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat de door eiser aangevoerde omstandigheden niet voldoende bijzonder zijn om van de overdracht aan Roemenië af te zien vanwege onevenredige hardheid. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat Roemenië verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Hierbij is van belang dat Roemenië partij is bij het EVRM. Eiser kan bij voorkomende problemen, zoals discriminatie, de autoriteiten van Roemenië of de daarvoor geschikte instanties van Roemenië benaderen. Niet is gebleken dat de autoriteiten van Roemenië eiser niet kunnen of willen helpen. De minister was daarom niet verplicht de aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening in behandeling te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen gelijk. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag in stand blijft en eiser aan Roemenië kan worden overgedragen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. El Kadi, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier.
9.1.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening.
4.Dit staat in artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening.
5.Bijvoorbeeld ABRvS 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
6.Verslag gehoor aanmeldfase pagina 2
7.Verwijst naar productie 1 bij de beroepsgronden voor een afschrift van het identiteitsdocument.
8.Uitspraak van 23 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2020:9555.
9.Rapport aanmeldgehoor Dublin, pagina 7.
10.Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
11.Het arrest Jawo van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, onder 80 en 81.
12.HvJEU 19 maart 2019, Jawo, ECLI:EU:C:2019:218, onder 91-93.
13.Dit toetsingskader volgt uit HvJ 29 februari 2024 (arrest X), ECLI:EU:C:2024:195, en ABRvS 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455.
14.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, in de zaak Ibrahim, ECLI:EU:C:2019:219.
15.Pagina 4 van de zienswijze.
16.ABRvS van 27 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4844,
17.Rapport aanmeldgehoor Dublin, pagina 6.
18.Rapport aanmeldgehoor Dublin, pagina 7.
19.ABRvS van 22 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2970.
20.Onderdeel C2/5 van de Vc 2000.