ECLI:NL:RBDHA:2025:11466

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 juni 2025
Publicatiedatum
30 juni 2025
Zaaknummer
NL25.26322
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Ketelaars - Mast
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 94 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel bewaring en zicht op uitzetting naar Marokko

De minister van Asiel en Migratie heeft op 21 maart 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser, die van Marokkaanse nationaliteit is. De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van deze maatregel beoordeeld tot 4 april 2025. In deze procedure stond de vraag centraal of de voortzetting van de bewaring na die datum nog rechtmatig is.

Eiser stelde dat er geen zicht is op uitzetting omdat hij al meer dan drie maanden in bewaring zit zonder dat een presentatie heeft plaatsgevonden of datum daarvan bekend is. Ook betoogde hij dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting, aangezien alleen vertrekgesprekken worden gevoerd en rappels worden gestuurd, waarbij het laatste vertrekgesprek dateert van 27 mei 2025.

De rechtbank oordeelde dat de minister wel degelijk voldoende voortvarend te werk gaat. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat er vier rappels zijn gestuurd aan de Marokkaanse autoriteiten, waarvan de laatste op 12 juni 2025. Daarnaast zijn er twee vertrekgesprekken gevoerd met eiser. De rechtbank stelde dat er in het algemeen en in het geval van eiser voldoende zicht is op uitzetting naar Marokko, mede gelet op eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak.

Verder is vastgesteld dat eiser onvoldoende meewerkt aan zijn uitzetting, omdat hij in het laatste vertrekgesprek aangaf geen acties te hebben ondernomen en zijn tijd in bewaring wil uitzitten. De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring rechtmatig is en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.26322

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum]
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Inleiding

1. De minister heeft op 21 maart 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het voortduren van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser en de minister hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 10 april 2025 [2] (in de zaak NL25.13462) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 4 april 2025 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Beroepsgronden van eiser
4. Eiser betoogt dat de voortduring van de bewaring onrechtmatig is. Hiertoe voert eiser aan dat geen sprake is van zicht op uitzetting, nu eiser al meer dan drie maanden in bewaring verblijft en er nog geen presentatie heeft plaatsgevonden of datum daarvan bekend is. Daarnaast voert eiser aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser, doordat enkel vertrekgesprekken worden gevoerd en rappels worden gestuurd. Bovendien dateert het laatste vertrekgesprek van 27 mei 2025, waardoor inmiddels meer dan 21 dagen zijn verstreken zonder dat verdere handelingen zijn verricht. Volgens eiser is dit, mede gelet op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, ook al onvoldoende voortvarend. [3]
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage en de op de zitting door de minister naar voren gebrachte informatie blijkt dat sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure viermaal is gerappelleerd op de lp-aanvraag bij Marokko, waarvan het laatste rappel dateert van 12 juni 2025. Daarnaast is op 24 april 2025 en op 27 mei 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.
5.1.
De rechtbank is verder van oordeel dat zicht op uitzetting in het algemeen en in het geval van eiser naar Marokko bestaat. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling [4] van 14 november 2022, 8 augustus 2023 en 27 januari 2025, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. [5] Ook is niet gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten hebben aangegeven dat zij voor eiser in het bijzonder geen lp [6] zullen afgeven.
5.2.
Op eiser rust bovendien de rechtsplicht Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer met zich, dat eiser actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting dient te verlenen. [7] Niet is gebleken dat eiser aan deze verplichting voldoende invulling geeft. In het laatste vertrekgesprek van 27 mei 2025 gaf eiser namelijk aan geen acties te hebben ondernomen ten aanzien van zijn terugkeer en verklaarde hij dat hij zijn tijd in bewaring zal uitzitten. Ook om deze reden bestaat er op dit moment al voldoende zicht op uitzetting.
5.3.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de
maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en gepubliceerd op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, 10 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:6005.
3.Rb. Den Haag, zittingsplaats Middelburg, 22 maart 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:2699.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Uitspraken van de Afdeling van 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269, 8 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3033 en 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.
6.Laissez-passer.
7.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 13 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:85 en Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 2 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2210.