Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam kind], V-nummer: [V-nummer 2]
Rechtbank Den Haag
Eiseres, een Guinese vrouw, diende een derde asielaanvraag in nadat eerdere aanvragen waren afgewezen en een klachtprocedure bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) liep. De minister van Asiel en Migratie had de derde aanvraag ingewilligd met ingang van 11 april 2022, maar eiseres betwistte deze ingangsdatum en stelde dat haar derde aanvraag tevens een verzoek om heroverweging van de tweede aanvraag was, waardoor de ingangsdatum terug moest gaan naar 3 juli 2018.
De rechtbank oordeelde dat verweerder had moeten begrijpen dat de derde aanvraag ook een verzoek om heroverweging inhield, mede gezien de klachtprocedure bij het EHRM en de nieuwe medische informatie over eiseres’ zelfredzaamheid. Verweerder had onvoldoende actie ondernomen om een zorgvuldige en doelmatige besluitvorming te waarborgen.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en het besluit op het verzoek om heroverweging en beval een nieuwe beslissing waarbij de ingangsdatum van de verblijfsvergunning wordt vastgesteld op 3 april 2018. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vast te stellen op 3 april 2018.