In deze bestuursrechtelijke procedure heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 13 september 2023. In een eerdere uitspraak had de rechtbank de minister al een beslistermijn van zestien weken opgelegd, met een dwangsom van €100 per dag tot een maximum van €7.500. De minister heeft echter niet binnen deze termijn een besluit genomen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is. Gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’. Omdat de bovengrens van 21 maanden is overschreden, stelt de rechtbank een kortere beslistermijn van acht weken vast, ingaand de dag na bekendmaking van deze uitspraak.
De rechtbank legt een dwangsom van €100 per dag op, met een maximum van €15.000, als prikkel voor de minister om tijdig te beslissen. Er is geen sprake van een weigerachtige houding, maar van capaciteitsproblemen. De nieuwe dwangsom vangt aan op 29 juli 2025, nadat de eerdere dwangsom is geëindigd. Tevens wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €453,50.
De rechtbank draagt de minister op om binnen acht weken alsnog een besluit te nemen op de asielaanvraag. Bij niet-naleving is de minister een dwangsom verschuldigd. Het beroep wordt daarmee gegrond verklaard en het niet tijdig beslissen vernietigd.