Eiser, een Afghaanse nationaliteit dragende vreemdeling, verzocht op 24 maart 2025 om een verblijfsvergunning asiel. Hij stelde dat hij vanwege zijn werkzaamheden voor buitenlandse legers in Afghanistan problemen ondervond met de Taliban. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij een transportbedrijf had en werkzaamheden voor buitenlandse legers verrichtte. Ook werd het terugkeerbesluit naar Afghanistan en Kenia opgelegd.
Eiser voerde verweer tegen de geloofwaardigheidsbeoordeling en de kennelijk ongegronde afwijzing, onder meer door het overleggen van documenten zoals een verklaring van een oud zakelijk contact, een foto van een pas en een dreigbrief. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder voldoende had gemotiveerd waarom het asielrelaas ongeloofwaardig was, onder meer vanwege het ontbreken van objectieve bewijsstukken en inconsistenties in de verklaringen over het paspoort.
Daarnaast werd geoordeeld dat het terugkeerbesluit terecht was, ook met betrekking tot Kenia als derde land, mede op basis van een removal order. De rechtbank wees het beroep af en verwierp het verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.