ECLI:NL:RBDHA:2025:14559

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 augustus 2025
Publicatiedatum
6 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.19450
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag na 21 maanden in gebreke gesteld

In deze zaak heeft eiseres op 10 juni 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, zoals bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag op 16 januari 2024 afgewezen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit besluit op 21 januari 2025 vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen. Eiseres heeft op 8 april 2025 een ingebrekestelling gestuurd wegens het niet tijdig beslissen op haar aanvraag. Vervolgens heeft zij op 28 april 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank heeft geoordeeld dat de bovengrens van 21 maanden, zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn, was overschreden. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen om binnen vier weken na de uitspraak een nieuw besluit te nemen. Tevens is er een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de minister in gebreke blijft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.19450

Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] (V-nummer: [v-nummer]), eiseres,

en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft op 10 juni 2022 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), ingediend.
Bij besluit van 16 januari 2024 heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond. Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 21 januari 2025 [1] , voor zover hier van belang, is dat besluit vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit op de aanvraag moet nemen.
Op 8 april 2025 is een ingebrekestelling naar verweerder gestuurd wegens het niet tijdig beslissen op deze aanvraag.
Eiseres heeft vervolgens op 28 april 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Als gemachtigde heeft zich gesteld mr. M.M.G. Crompvoets, advocaat te Sittard, die op 12 mei 2025 de beroepsgronden heeft ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet in deze procedure aanleiding om met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) uitspraak te doen. Zij overweegt hiertoe als volgt.
2. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.
In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat het beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
In artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, is bepaald dat op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking wordt gegeven.
In artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn [2] is bepaald dat de lidstaten in elk geval uiterlijk binnen 21 maanden na de indiening van het verzoek de behandelingsprocedure van een verzoek om internationale bescherming afronden.
3. Vastgesteld moet worden dat de bovengrens van 21 maanden, als genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn, was overschreden op het moment dat eiseres verweerder in gebreke heeft gesteld. Zoals volgt uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 6 december 2023 [3] ligt in deze bepaling een absoluut maximum van 21 maanden voor het behandelen van een asielaanvraag besloten. Reeds daarom was bij het instellen van het beroep voldaan aan de eisen genoemd in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Nu niet gebleken is dat verweerder inmiddels op de aanvraag heeft beslist en niet geoordeeld kan worden dat het beroep onredelijk laat is ingediend, is dit beroep gegrond en dient het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag te worden vernietigd.
4. De rechtbank zal voorts een termijn stellen waarbinnen verweerder het besluit op de aanvraag moet nemen en bekendmaken. Zij hanteert daarbij in asielzaken in beginsel de volgende termijnen. Indien de vreemdeling nog niet is gehoord ten aanzien van de reden voor zijn aanvraag: een termijn van acht weken om hem alsnog te horen en daarna een termijn van acht weken om te beslissen, waarbij verweerder in ieder geval binnen zestien weken dient te beslissen. Indien de vreemdeling wel al is gehoord: een termijn van acht weken om alsnog te beslissen. Indien de bovengrens van 21 maanden, genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn, (bijna) is overschreden stelt de rechtbank de nadere termijn zodanig dat deze in redelijkheid noch onnodig lang noch onrealistisch kort is [4] .
5. De rechtbank stelt vast dat eiseres is gehoord en dat de bovengrens van 21 maanden van artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn inmiddels zeer ruim is overschreden. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2025 [5] zal zij daarom in dit geval verweerder opdragen om binnen vier weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak het besluit op de aanvraag te nemen en bekend te maken. In wat in de beroepsgronden is aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om een andere (kortere) termijn vast te stellen. Het opleggen van een kortere termijn zou in dit geval te zeer afbreuk doen aan de bij de besluitvorming te betrachten zorgvuldigheid en daarom onrealistisch zijn.
6. De rechtbank zal verder bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt voor elke dag dat hij in gebreke blijft deze uitspraak na te leven. Zij zal de hoogte van deze dwangsom vaststellen op € 100,- voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
7. De rechtbank ziet geen aanleiding tot het vaststellen van een bestuurlijke dwangsom, zoals door eiseres is verzocht. Op grond van artikel 1 van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, zoals deze wet ten tijde van de ingebrekestelling van kracht was, zijn de artikelen in de Awb omtrent (de vaststelling van) de bestuurlijke dwangsom niet van toepassing op besluiten op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2022 [6] is de Tijdelijke wet op dit punt niet onverbindend. Dit betekent dat die ingebrekestelling niet tot gevolg heeft (gehad) dat verweerder een bestuurlijke dwangsom heeft verbeurd.
8. De rechtbank acht ten slotte termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten wegens verleende rechtsbijstand worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 453,50 waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van eiseres één punt met een waarde van € 907,- wordt toegekend (voor het indienen van het beroepschrift). Het gewicht van de zaak is bepaald op licht (wegingsfactor 0,5) omdat het hierbij uitsluitend gaat om het niet tijdig nemen van een besluit en de zaak van eenvoudige aard is. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op om binnen vier weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak het besluit op de aanvraag te nemen en op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, begroot op € 453,50 (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan eiseres.
Aldus vastgesteld door mr. R.M.M. Kleijkers, rechter, in aanwezigheid van B.A.E.I. van Hooff, griffier.
De uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: 06 augustus 2025.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan door een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de dag van bekendmaking verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Voetnoten

2.Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming.
4.Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560, en 5 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5020.