In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 6 augustus 2025 uitspraak gedaan over de bewaring van een gezin van Oekraïense nationaliteit, bestaande uit een moeder en haar minderjarige kinderen. De minister van Asiel en Migratie had op 18 juli 2025 maatregelen van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank oordeelde dat de bewaring niet op de juiste wijze was gemotiveerd, met name omdat de belangen van de kinderen onvoldoende waren meegewogen in de belangenafweging. De rechtbank stelde vast dat de minister niet had aangetoond dat er geen lichter middel dan bewaring kon worden toegepast. Bovendien was er geen individuele belangenafweging gemaakt, wat in strijd was met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank concludeerde dat de bewaring onrechtmatig was en kende schadevergoeding toe aan de eisers voor de onrechtmatige vrijheidsontneming. De rechtbank veroordeelde de minister tot het betalen van een schadevergoeding van € 3.500,- en de proceskosten van € 4.535,-. De uitspraak is openbaar gemaakt en kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.