ECLI:NL:RBDHA:2025:14564

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 augustus 2025
Publicatiedatum
6 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.33186, NL25.33187, NL25.33188, NL25.33191 en NL25.33192
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van een gezin met minderjarige kinderen in het bestuursrecht

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 6 augustus 2025 uitspraak gedaan over de bewaring van een gezin van Oekraïense nationaliteit, bestaande uit een moeder en haar minderjarige kinderen. De minister van Asiel en Migratie had op 18 juli 2025 maatregelen van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank oordeelde dat de bewaring niet op de juiste wijze was gemotiveerd, met name omdat de belangen van de kinderen onvoldoende waren meegewogen in de belangenafweging. De rechtbank stelde vast dat de minister niet had aangetoond dat er geen lichter middel dan bewaring kon worden toegepast. Bovendien was er geen individuele belangenafweging gemaakt, wat in strijd was met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank concludeerde dat de bewaring onrechtmatig was en kende schadevergoeding toe aan de eisers voor de onrechtmatige vrijheidsontneming. De rechtbank veroordeelde de minister tot het betalen van een schadevergoeding van € 3.500,- en de proceskosten van € 4.535,-. De uitspraak is openbaar gemaakt en kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.33186, NL25.33187, NL25.33188, NL25.33191 en NL25.33192

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam], eiseres,

geboren op [geboortedatum],
v-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: W. Spijkstra),
mede namens haar minderjarige kinderen,

[naam],

geboren op [geboortedatum],
v-nummer: [v-nummer],

[naam],

geboren op [geboortedatum],
v-nummer: [v-nummer],

[naam]

geboren op [geboortedatum],
v-nummer: [v-nummer],

[naam],

geboren op [geboortedatum],
v-nummer: [v-nummer],
allen van Oekraïense nationaliteit en hierna gezamenlijk te noemen: eisers,
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. K.J. Diender).

Procesverloop

Bij besluiten van 18 juli 2025 (de bestreden besluiten) heeft de minister aan eisers maatregelen van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als verzoeken om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 24 juli 2024 de maatregelen van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft de beroepen op 1 augustus 2025, gezamenlijk, op zitting behandeld. Eisers en hun gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaken tot de vraag of aan eisers schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregelen van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring, aan eisers een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. In de maatregelen van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregelen nodig zijn omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en er een significant risico bestaat dat eisers zich aan het toezicht zullen onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eisers:
(zware gronden)3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze zijn binnengekomen, dan wel een poging daartoe hebben gedaan;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van haar reis- of identiteitsdocumenten
3k. een overdrachtsbesluit hebben ontvangen en geen medewerking verlenen aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van hun asielverzoek;
(lichte gronden)4a. zich niet aan een of meer andere voor hen geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb hebben gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats hebben;
4d. niet beschikken over voldoende middelen van bestaan.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank stelt vast dat eisers de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet hebben bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig. Ook de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden zijn niet bestreden. De maatregel is gemotiveerd en er zijn ten minste twee van de gronden (waarvan één zwaar) bedoeld in het derde en vierde lid van artikel 5.1b, van het Vb 2000 aanwezig. De rechtbank stelt vast dat daarmee is voldaan aan de in artikel 5.1a, lid 5, Vb neergelegde voorwaarde voor inbewaringstelling. Er is voldoende reden is om aan te nemen dat een significant risico bestaat dat eisers zich aan het toezicht zullen onttrekken.
3.1.
Hoewel het standpunt van de minister dat sprake is van een risico op onttrekking dus (formeel) juist is, leidt dit niet zonder meer tot de conclusie dat er geen reden is om een lichter middel dan bewaring op te leggen. Uit paragraaf A5/1 van de Vc volgt dat toepassing van een vrijheidsontnemende maatregel beperkt dient te blijven tot het strikt noodzakelijke, dat steeds moet worden nagegaan of met een lichter middel kan worden volstaan en dat de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit daarbij voortdurend in acht moeten worden genomen. Ingevolge par. A5/2.4 Vc dient bovendien een versterkte mate van terughoudendheid te worden betracht bij vrijheidsontneming van alleenstaande minderjarigen en gezinnen met minderjarigen. De minister zal door middel van een gedegen motivering moeten laten zien zich rekenschap te hebben gegeven van de individuele omstandigheden van het geval.
3.2.
De rechtbank is onvoldoende gebleken dat niet volstaan kon worden met een lichter middel. Niet afdoende is gebleken van het bij de belangenafweging betrekken van de belangen van de kinderen in algemene zin. In de maatregelen van de kinderen wordt enkel overwogen dat de moeder in bewaring wordt gesteld en dat de kinderen met hun moeder mee in bewaring moeten. Zij zijn immers afhankelijk van haar en niet is gebleken van een tegengesteld belang. Door viermaal een identieke, standaardoverweging op te nemen, heeft de minister geen blijk gegeven van een individuele belangenafweging zoals genoemd in zijn eigen beleid. Er is dan ook sprake van strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Het beroep is reeds hierom gegrond.
3.3.
Bovendien komt de redenering van de minister erop neer dat, uit het enkele gegeven dat er gronden zijn om de moeder in bewaring te stellen volgt, dat haar kinderen kunnen volgen simpelweg omdat zij afhankelijk zijn. De rechtbank volgt deze redenering niet. [1] Uit jurisprudentie van het EHRM over artikel 8 EVRM volgt dat er een brede consensus bestaat rond het idee dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind voorrang dienen te hebben. De overweging dat de situatie van de minderjarige kinderen onlosmakelijk is verbonden met de situatie van hun ouders is op zichzelf ook niet onjuist, maar is wel onvoldoende om te concluderen dat de belangen van het kind niet zo zwaar wegen dat de inbewaringstelling van het gezin als geheel doorgang kan vinden. Deze afweging moet kenbaar worden gemaakt en hiervan is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Ook hierom is het beroep gegrond.
3.4.
Ook stelt de rechtbank vast dat niet is gebleken van de in het beleid genoemde versterkte mate van terughoudend bij inbewaringstelling van gezinnen met minderjarige kinderen. Er is niet geprobeerd de familie over te dragen via een gefaciliteerde overdracht. De toelichting ter zitting dat dit onnodige kosten met zich meebrengt omdat de familie evident niet gaat meewerken, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om deze keuze te rechtvaardigen in het licht van de vereiste versterkte mate van terughoudendheid. Ook hierom is het beroep gegrond.
3.5.
Tot slot stelt de rechtbank vast dat de maatregel gedurende één dag zonder wettelijke grondslag heeft voortgeduurd. Er bestond ten tijde van de oplegging van de maatregelen een concreet aanknopingspunt voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening. Echter heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 23 juli 2025 een voorziening heeft getroffen waaruit volgt dat eisers hun hoger beroep in de asielprocedure in Nederland mogen afwachten. De grondslag voor de bewaring is daarmee komen te vervallen. Vanaf dat moment had de minister twee dagen om de grondslag, eventueel, om te zetten. [2] Nu dat niet is gebeurd, maar in plaats daarvan de maatregel op 24 juli 2025 is opgeheven, moet worden geconcludeerd dat de voortduring van de maatregel gedurende één dag zonder wettelijke grondslag heeft voortgeduurd. De rechtbank acht die voortduring onrechtmatig. De rechtbank verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats. [3] Het beroep is ook hierom gegrond.

Conclusie

4. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 7 dagen onrechtmatige tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregelen van 7 x € 100,00- (verblijf detentiecentrum) = € 700,00,- x 5 eisers dus € 3.500.
4.1.
De rechtbank veroordeelt de minister in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 4.535- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,00- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eisers tot een bedrag van € 3.500,- te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 4.535,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Rechtbank Den Haag, 23 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:5928 en Rechtbank Den Haag, 8 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:13573.
2.Bijvoorbeeld: ABRvS 7 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:705 en ABRvS 12 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1082.
3.Rechtbank Den Haag, 21 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:20343.