Eiser, van Egyptische nationaliteit, kreeg een terugkeerbesluit gericht op Egypte en later een aanvullend terugkeerbesluit om ook naar Marokko terug te keren. Hij stelde dat het aanvullend besluit onvoldoende was gemotiveerd en dat er geen concrete aanwijzingen waren dat Marokko hem zou toelaten.
De minister stelde dat eiser geen belang had bij inhoudelijke beoordeling omdat hij reeds naar Egypte was uitgezet, maar de rechtbank oordeelde dat eiser wel procesbelang had, onder meer vanwege mogelijke gevolgen van het besluit voor toekomstige inreisverboden.
De rechtbank overwoog dat volgens jurisprudentie meerdere landen kunnen worden genoemd in terugkeerbesluiten, maar dat in dit geval de minister onvoldoende had gemotiveerd dat Marokko een beoogd land van terugkeer was. Er waren geen aanwijzingen van banden met Marokko of dat eiser aliassen gebruikte.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het aanvullend terugkeerbesluit en veroordeelde de minister tot betaling van proceskosten van €907. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.