ECLI:NL:RBDHA:2025:1628
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen
Eiser, van Azerbeidzjaanse nationaliteit, verzet zich tegen het besluit van de minister om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Kroatië verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. De rechtbank beoordeelt het beroep zonder zitting en verklaart het kennelijk ongegrond.
De rechtbank overweegt dat Nederland op 21 augustus 2024 een verzoek tot terugname aan Kroatië heeft gedaan, dat op 3 september 2024 is geaccepteerd. De stellingen van eiser over tekortkomingen in Kroatië, waaronder pushbacks, zijn onvoldoende onderbouwd en de rechtbank sluit aan bij eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak die geen structurele tekortkomingen vaststelden.
Verder oordeelt de rechtbank dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel terecht wordt toegepast en dat de minister geen belangenafweging hoefde te maken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, omdat de door eiser aangevoerde individuele omstandigheden niet voldoende zijn om overdracht te weigeren. De aanwezigheid van een broer in Nederland en de klachten over behandeling in Kroatië leiden niet tot een andere uitkomst.
De rechtbank bevestigt dat Kroatië verantwoordelijk is voor de asielprocedure en dat eiser mag worden overgedragen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en eiser mag worden overgedragen aan Kroatië.