Eiser maakte bezwaar tegen een besluit van het UWV van 29 oktober 2024 waarin hij niet in aanmerking werd geacht voor een WIA-uitkering. Omdat het UWV niet tijdig op het bezwaar besliste, stelde eiser beroep in bij de rechtbank Den Haag.
De rechtbank constateerde dat de beslistermijn was overschreden en dat het UWV nog geen besluit had genomen. Gezien het belang van een medische beoordeling door een verzekeringsarts in deze zaak, kwalificeerde de rechtbank dit als een bijzonder geval volgens artikel 8:55d Awb.
De rechtbank stelde een termijn van negen weken na verzending van de uitspraak vast waarbinnen het UWV eerst binnen zes weken een medische beoordeling moet verrichten en vervolgens binnen drie weken een besluit moet nemen. Tevens werd een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd voor het geval het UWV deze termijn overschrijdt.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank het UWV tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is openbaar.