ECLI:NL:RBDHA:2025:19181

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
21 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.48663
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 59b Vw 2000Art. 96 lid 3 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling Ghana

De minister van Asiel en Migratie legde op 22 april 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had reeds meerdere malen eerdere vervolgberoepen behandeld en getoetst.

De rechtbank beoordeelde of sinds 22 september 2025 de maatregel onrechtmatig was geworden. Eiser voerde aan dat er geen zicht op uitzetting naar Ghana bestond, maar de rechtbank stelde vast dat de Ghanese autoriteiten de nationaliteit van eiser hadden bevestigd en geen aanwijzingen waren dat een laissez-passer zou worden geweigerd. Bovendien had eiser het onderzoek naar zijn identiteit gefrustreerd door onjuiste informatie te verstrekken.

Verder oordeelde de rechtbank dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld door maandelijks rappelleren bij de Ghanese autoriteiten en het voeren van vertrekgesprekken. De belangenafweging van de minister, die het belang van voortzetting van de bewaring zwaarder achtte dan het belang van eiser bij invrijheidsstelling, werd bevestigd. Er waren geen medische omstandigheden of andere factoren die een andere uitkomst rechtvaardigden.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48663

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

De minister heeft op 22 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist met de uitspraak van 9 mei 2025. [1] Op het eerste vervolgberoep is beslist met de uitspraak van 18 juni 2025. [2] Op het tweede vervolgberoep is beslist met de uitspraak van 22 juli 2025. [3] Op het derde vervolgberoep is beslist met de uitspraak van 27 augustus 2025. [4] Op het vierde vervolgberoep is beslist met de uitspraak van 24 september 2025. [5]
De minister heeft op 7 oktober 2025 een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft op 14 oktober 2025 het vooronderzoek gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
1.1.
Uit de uitspraak van 24 september 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 22 september 2025) onrechtmatig is.
Zicht op uitzetting
2. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting ten aanzien van Ghana op korte termijn niet bestaat.
2.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Ghana. [6] Er zijn op dit moment geen aanwijzingen dat deze situatie veranderd is. Ook is niet gebleken dat in het specifieke geval van eiser het zicht op uitzetting naar Ghana ontbreekt. De Ghanese autoriteiten hebben niet te kennen gegeven dat voor eiser geen laissez-passer (lp) zal worden afgegeven. Integendeel, de nationaliteit van eiser is op 29 september 2025 door de Ghanese autoriteiten bevestigd. Hierbij is ook van belang dat eiser gedurende de inbewaringstelling het onderzoek naar de vaststelling van zijn identiteit of nationaliteit heeft gefrustreerd. Zo heeft eiser bij de presentatie in persoon bij de Ghanese autoriteiten aangegeven dat hij uit Senegal komt, hetgeen de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit vertraagt. Daarnaast mag de minister tegenwerpen dat eiser meerdere procedures ter verkrijging van een verblijfstitel is gestart waardoor de uitzetting is vertraagd.
. Dat eiser hierdoor langer in bewaring verblijft, komt voor zijn eigen rekening en risico en betekent niet dat geen zicht bestaat op uitzetting binnen een redelijke termijn. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te oordelen dat het zicht op uitzetting naar Ghana ontbreekt.
Voortvarendheid
3. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Eiser betwist dat er is gerappelleerd aangezien er geen stukken daarvan in het dossier staan. Bovendien dient de minister individueel te rappelleren.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister maandelijks rappelleert op de lp-aanvraag bij de Ghanese autoriteiten. Voor het laatst is dit gebeurd op 25 september 2025. Daarbij merkt de rechtbank op dat het aan de minister is om te bepalen welke wijze van rappelleren in een specifiek geval het meest geschikt is. Dit is immers ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval en de gebruikelijke werkwijze in het betreffende land. Dat de minister heeft nagelaten te rappelleren op de lp-aanvraag van eiser wordt niet gevolgd. Eiser heeft dit betoog onvoldoende gemotiveerd betwist, waardoor de rechtbank geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van de voortgangsrapportage. Bovendien is de nationaliteit van eiser op 29 september 2025 bevestigd. Daarnaast is er maandelijks en voor het laatst op 6 oktober 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. De rechtbank acht deze handelingen in het geval van eiser toereikend.
Belangenafweging
4. Eiser wijst er op dat de maatregel reeds meer dan zes maanden duurt. [7] Hij betoogt dat gezien de lange duur van de maatregel, de belangenafweging in het voordeel van eiser dient uit te vallen. De eerdere periode van bewaring dient hierbij ook te worden betrokken. [8]
4.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister op 29 juli 2025 een verzwaarde belangenafweging heeft gemaakt en heeft gemotiveerd waarom deze in het nadeel van eiser is uitgevallen. Ook nadien heeft de minister nog meermaals een belangenafweging gemaakt. De belangenafweging is bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 augustus 2025 getoetst. [9] Hierin is geoordeeld dat de belangenafweging in het voordeel van de minister mocht uitvallen. Voor de periode waarop dit vervolgberoep betrekking heeft, bestaat geen aanleiding voor de minister om tot een andere afweging te komen. De minister heeft eerder in de belangenafweging meegewogen dat eiser het onderzoek naar de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit heeft gefrustreerd. Eiser heeft namelijk bij de Ghanese vertegenwoordiging aangegeven dat hij uit Senegal komt. Tot op heden heeft eiser de door hem gestelde nationaliteit niet onderbouwd en inmiddels is door de Ghanese vertegenwoordiging zijn nationaliteit bevestigd. Van eiser mag verwacht worden dat hij zijn identiteit aantoont en meewerkt aan zijn terugkeer. Daarbij heeft eiser gedurende de inbewaringstelling procedures gestart ter verkrijging van een verblijfstitel waardoor zijn terugkeer is vertraagd. Verder zijn er geen medische omstandigheden waardoor de inbewaringstelling niet langer zou kunnen voortduren. Gelet op deze omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat het belang van de minister bij voortduring van de maatregel zwaarder weegt dan het belang van eiser bij invrijheidsstelling.
4.2.
De verwijzing door eiser naar de conclusie van de advocaat-generaal, maakt bovenstaande niet anders. De rechtbank merkt op dat in die zaak nog geen arrest is gewezen. De advocaat-generaal geeft in een conclusie voorlichting aan het Hof van Justitie over hoe de gestelde prejudiciële vragen moeten worden beantwoord. Daargelaten of de antwoorden in de conclusie tot een voor eiser gunstige uitkomst leiden, zijn het Hof van Justitie en ook de rechtbank niet gehouden de conclusie van de advocaat-generaal te volgen. [10]
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. De rechtbank ziet in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [11] Er is ook gesteld noch gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering. [12]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag (zp. Zwolle) 9 mei 2025, zaaknummer NL25.19319 (niet gepubliceerd).
2.Rb. Den Haag (zp. Zwolle) 18 juni 2025, zaaknummer NL25.25921 (niet gepubliceerd).
3.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 22 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:6085.
4.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 27 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16029.
5.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 24 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17680.
6.ABRvS 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4500.
7.Eiser is voorafgaand aan de huidige maatregel van 31 januari 2025 tot 22 april 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vw 2000.
8.Eiser verwijst hierbij naar: de conclusie van advocaat-generaal L. Medina van 4 september 2025 bij de zaak C-150/24 Aroja.
9.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 27 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16029.
10.Zie ABRvS 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2964.
11.Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.
12.Zie HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.