Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:19850

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.50285
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 94 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 28 Verordening 604/2013Art. 47 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing onrechtmatige vreemdelingenbewaring en toekenning schadevergoeding

Eiser is op 6 september 2025 in bewaring gesteld op de asielgrondslag terwijl reeds indicaties bestonden dat de Dublinverordening op hem van toepassing was. Verweerder heeft dit niet tijdig onderkend en heeft pas op 17 september 2025 een maatregel op de juiste Dublingrondslag opgelegd. De rechtbank stelt vast dat de eerste bewaring onrechtmatig was en dat de onrechtmatige vrijheidsontneming van 42 dagen ernstig inbreuk maakte op het grondrecht van eiser.

De rechtbank overweegt dat verweerder niet de vereiste uiterste zorgvuldigheid heeft betracht bij het opleggen van de bewaring en dat de maatregel derhalve willekeurig was in de zin van het arrest Bouskoura. Hierdoor is eiser in zijn belangen geschaad en volstaat een schadevergoeding niet als genoegdoening. De rechtbank beveelt daarom de onmiddellijke opheffing van de bewaring en invrijheidstelling van eiser.

Verweerder heeft eiser niet aangeboden om schade te vergoeden voor de onrechtmatige vrijheidsontneming, waardoor de rechtbank dit zelf toekent. De schadevergoeding wordt vastgesteld op €4.200 voor 42 dagen onrechtmatige detentie. De rechtbank wijst erop dat deze uitspraak geen gevolgen heeft voor de vaststelling van Kroatië als verantwoordelijke lidstaat of de overdracht van eiser.

De procedure werd buiten aanwezigheid van eiser behandeld omdat hij niet wilde verschijnen en de tolk niet beschikbaar was. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Bewaring wordt opgeheven wegens onrechtmatigheid en eiser wordt onmiddellijk vrijgelaten met een schadevergoeding van €4.200 toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.50285
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser](V-nummer: [V-nummer]),
geboren op [geboortedatum] 1982, Oezbeekse nationaliteit,
eiser,
(gemachtigde: mr. [advocaat]),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. S. Faddach).

Zitting hebben:

mr. S. van Lokven, rechter, en
mr. K.M.R.L. Kamp, griffier.

Procesverloop

Verweerder heeft eiser op 17 september 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 om de overdracht aan de Kroatische autoriteiten te verzekeren.
Verweerder heeft de rechtbank op 15 oktober 2025 op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw in kennis gesteld van de oplegging van de bewaringsmaatregel. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep en wordt tevens aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De gemachtigde van eiser heeft op 27 oktober 2025 een bericht in het dossier geplaatst en daarin aangegeven dat eiser en zij niet ter zitting zullen verschijnen. In het dossier is door de gemachtigde van eiser tevens een handgeschreven bericht gevoegd waarin is vermeld dat eiser aan zijn gemachtigde toestemming geeft om het beroep vreemdelingenbewaring is te trekken en niet te verschijnen en dat eiser kennis heeft genomen van de rechtsgevolgen van het intrekken van het rechtsmiddel en het niet verschijnen in de zaak van de kennisgeving. Deze brief is ondertekend door eiser.
De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2025 op zitting geagendeerd. Eiser is door DV&O vervoerd naar de rechtbank ondanks dat hij te kennen had gegeven niet te zullen verschijnen. De rechtbank heeft eiser niet in persoon gehoord omdat de door de rechtbank opgeroepen tolk vanwege het uitlopen van de voorgaande zaak ter zitting, niet langer bijstand kon verlenen. De rechtbank heeft de zaak buiten aanwezigheid van eiser behandeld omdat het aangewezen is zo spoedig mogelijk uitspraak te doen gelet op de omstandigheid dat de overdracht aan de Kroatische autoriteiten binnen 48 uur na het tijdstip van de geagendeerde zitting is voorzien. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft aansluitend aan de behandeling van het beroep het onderzoek gesloten en mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 28 oktober 2025;
- gelast de onmiddellijke invrijheidstelling;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 4.200,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
-spreekt geen proceskostenveroordeling uit.

Overwegingen

1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft om het significante onttrekkingsrisico te onderbouwen, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit, 3 zogenoemde zware gronden en 3 zogenoemde lichte gronden opgevoerd.
2. Gemachtigde van eiser heeft daags voor de behandeling ter zitting aangegeven dat zij met eiser de gronden van de maatregel heeft besproken en geen onregelmatigheden heeft opgemerkt. Gemachtigde van eiser heeft hieraan toegevoegd dat eiser op 30 oktober 2025 wordt overgedragen aan de Kroatische autoriteiten en verzoekt de rechtbank, voor zover dit in goede justitie mogelijk is, om onderhavige procedure af te sluiten dan wel gemachtigde in kennis te stellen van de uitspraak.
3. De rechtbank heeft ter zitting aan verweerder medegedeeld dat eiser deze kennisgeving niet kan intrekken gelet op de tijd die eiser al in bewaring wordt gehouden en dat de rechtbank de rechtmatigheid van de maatregel daarom ambtshalve zal beoordelen. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om toe te lichten waarom verweerder de maatregel rechtmatig acht en heeft verweerder hierbij gewezen op het arrest Bouskoura van 4 september 2025. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de maatregel rechtmatig is opgelegd.
4. De rechtbank zal de maatregel opheffen en motiveert dit als volgt.
5. Eiser is op 13 april 2025 staandegehouden door de KMar Schiphol in verband met een overtreding van de Wegenverkeerswet. Eiser heeft op dat moment geen identiteitsbewijs overgelegd. Eiser heeft wel een verblijfsvergunning, afgegeven door de Kroatische autoriteiten en geldig tot 11 juni 2025, getoond. Deze verblijfsvergunning is onderzocht door de KMar en de KMar heeft in het proces-verbaal van ophouding en onderzoek ex artikel 50 Vw Pro 2000 van 13 april 2025 vermeld dat in het Schengen Informatie Systeem is geregistreerd dat ‘deze verblijfsvergunning is gesignaleerd als gestolen, verduisterd of vermist object’ (de rechtbank gaat er van uit dat is bedoeld dat het fysieke document waarop is vermeld dat aan de houder een verblijfsvergunning is verleend, gestolen, verduisterd of vermist is omdat een verblijfsrecht naar zijn aard niet kan worden gestolen, verduisterd of vermist en ook geen object maar een subjectief recht is). In het (N)SIS staat ook dat de te nemen actie de opsporing van dit document en het vaststellen van de identiteit van de bezitter is. De ophouding is op 13 april 2025 beëindigd en gevolgd door het vaststellen van een terugkeerbesluit jegens eiser waarin Oezbekistan als land van terugkeer is vermeld en waarin een vertrektermijn van 28 dagen is bepaald. In het proces-verbaal van het gehoor dat heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de vaststelling van het terugkeerbesluit en overigens is getiteld “proces-verbaal van bevindingen algemeen” en geen M110 proces-verbaal van gehoor terugkeerbesluit/inreisverbod/maatregel is, is het volgende opgenomen:
(…)
Voorafgaande aan het gehoor heb ik de vreemdeling:
- geïnformeerd over het voornemen om een Terugkeerbesluit op te leggen;
- er op gewezen dat hij op grond van het Terugkeerbesluit gehouden is om binnen een termijn van 28 dagen terug te keren naar zijn land van herkomst (Angola) (…).
(…)
V: Beschikt u over een verblijfsvergunning van de Europese Unie, Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland?
A: Ja, ik heb een verblijfsvergunning voor Kroatië.
O: betrokkene toont mij een verblijfsvergunning van Kroatië met registratienummer 9197117 geldig tot 11-06-2025. Ik leg betrokkene uit dat de getoonde verblijfsvergunning als Gestolen, verduisterd of vermist object gesignaleerd staat door de Kroatische autoriteiten in het NSIS sinds 20-01-2025 onder Schengen ID nummer [XXX]
A:Ik begrijp niet waarom mijn verblijfsvergunning staat gesignaleerd. Ik ben mijn verblijfsvergunning nog nooit kwijt geweest en ik heb hiervan ook nooit aangifte gedaan. Ik vind het vreemd dat mijn verblijfsvergunning bij u in de politie systemen staan.
(…)
O: Wij nemen de verblijfsvergunning van Kroatië niet in en die krijgt u straks van ons terug. Mocht u toch menen verblijfsrecht te hebben in Kroatië dan adviseer ik u om u te melden bij de Kroatische autoriteiten binnen 28 dagen en u verblijfsvergunning daar te overleggen.
(…)
6. De rechtbank overweegt dat indien eiser een verblijfsvergunning in een andere lidstaat heeft, eiser allereerst in gelegenheid had moeten worden gesteld om zich naar die andere lidstaat te begeven alvorens een terugkeerbesluit vast te stellen.
7. Eiser heeft niet aan zijn terugkeerverplichting voldaan en heeft zich overigens ook niet naar Kroatië begeven. Eiser wordt op 6 september 2025 wederom inzake een overtreding van de Wegenverkeerswet aangehouden. Eiser heeft daarop op 6 september 2025 een asielaanvraag ingediend.
8. Uit het dossier blijkt dat het raadplegen van Eurodac en EU-vis met persoonsgegevens van eiser geen treffers heeft opgeleverd. Verweerder heeft eiser op 6 september 2025 in bewaring gesteld op de zogenoemde ‘asielgrondslag’. Terwijl eiser op de asielgrondslag in bewaring wordt gehouden, dient verweerder echter op 8 september 2025 een claimverzoek in bij de Kroatische autoriteiten. In het claimverzoek wijst verweerder op artikel 28, derde lid, van Verordening 604/2013 waarin onder meer de termijnen staan als de persoon die onder deze Dublinverordening valt in bewaring wordt gehouden. In dit claimverzoek wordt voorts aangegeven dat de Kroatische autoriteiten verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser vanwege de afgegeven verblijfsvergunning die eiser heeft getoond. De rechtbank merkt op dat verweerder in het claimverzoek niet heeft vermeld dat de KMar heeft vastgesteld dat uit het (N)SIS blijkt dat de vergunning staat gesignaleerd als gestolen, verduisterd of vermist. Verweerder verzoekt uitdrukkelijk om een zo spoedig mogelijk antwoord vanwege de detentie van eiser.
9. De Kroatische autoriteiten hebben het claimverzoek op 18 september 2025 aanvaard. Verweerder heeft op 25 september 2025 een overdrachtsbesluit genomen. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 20 oktober 2025 het beroep tegen dit overdrachtsbesluit ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBLIM:2025:10240, niet gepubliceerd).
10. In de onderhavige procedure beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van oplegging van de maatregel die op 17 september 2025 op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 is opgelegd. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling dient een maatregel op deze zogenoemde Dublingrondslag plaats te vinden als er aanknopingspunten zijn dat de Dublinverordening van toepassing is. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 april 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:4981). In die procedure was de vreemdeling in bewaring gesteld om de overdracht aan Zwitserland te effectueren. De rechtbank heeft die maatregel opgeheven omdat de vreemdeling had verklaard zo spoedig terug te willen keren naar zijn land van herkomst Algerije en in bezit te zijn van paspoort dat in de woning van zijn vriendin lag waar hij is aangehouden alvorens in bewaring te zijn gesteld. De rechtbank heeft in die procedure -kort gezegd- geoordeeld dat de terugkeer naar Algerije spoediger zou kunnen plaatsvinden dan de overdracht aan Zwitserland en verweerder daarom eiser in bewaring had moeten stellen ter fine van de verwijdering naar Algerije. De bewaring moet immers zo kort mogelijk duren en omdat die vreemdeling in bezit was van zijn paspoort hoeft voor de verwijdering slechts een vliegticket te worden aangeschaft, terwijl ten tijde van de oplegging van de maatregel nog geen claimverzoek bij de Zwitserse autoriteiten was ingediend. De rechtbank heeft die vreemdeling dus in vrijheid gesteld. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat die vreemdeling na de invrijheidstelling zijn paspoort heeft opgehaald bij zijn vriendin en daags daarna naar Algerije is vertrokken. De Afdeling heeft de uitspraak van de rechtbank van 7 april 2023 evenwel vernietigd en heeft in haar uitspraak van 24 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4297) onder meer het navolgende overwogen:
(…)

1. De minister klaagt in zijn eerste grief over het oordeel van de rechtbank dat de bewaring op grond van artikel 59a van de Vw 2000 onrechtmatig is, omdat de minister niet alle omstandigheden van het geval heeft betrokken bij het bepalen van de grondslag van de maatregel. Daarvoor heeft de rechtbank overwogen dat de minister had moeten onderzoeken of de vreemdeling ook in bewaring kon worden gesteld om hem uit te zetten naar Algerije. De vreemdeling heeft immers verklaard een paspoort te bezitten en naar Algerije terug te willen keren, aldus de rechtbank.

1.1.
Onder verwijzing naar de uitspraak van 24 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ0483, overweegt de Afdeling dat bij de beoordeling of een vreemdeling krachtens artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 in bewaring kan worden gesteld, bepalend is of op hem de Dublinverordening van toepassing is. Dat de Dublinverordening op de vreemdeling van toepassing is, is niet in geschil. Uit de uitspraak van 24 januari 2013, onder 2.4.4, volgt dat dit betekent dat de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing is. Een andere grondslag voor de bewaring is daarom niet aan de orde. Gelet hierop betoogt de minister terecht dat het oordeel van de rechtbank dat hij onderzoek had moeten doen naar een andere wettelijke grondslag voor de bewaring van de vreemdeling berust op een onjuiste rechtsopvatting.
(…)
11. De rechtbank stelt vast dat reeds op 23 april 2025 bij de eerste aanhouding door de KMar op Schiphol aanknopingspunten bestonden dat de Dublinverordening op eiser van toepassing was. Op dat moment wordt immers het document met daarop de vermelding van de verblijfsvergunning die de grondslag voor het latere claimverzoek en het claimakkoord is aangetroffen. Desondanks wordt aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en hem opgedragen om de Unie te verlaten. Eiser is op 6 september 2025 in bewaring gesteld. Op grond van onder meer bovenstaande uitspraak van de Afdeling volgt dat eiser op 6 september 2025 alleen rechtmatig op de Dublingrondslag in bewaring had kunnen worden gesteld en niet op de asielgrondslag. Verweerder houdt eiser evenwel in bewaring op de asielgrond, zelfs nadat hij een claimverzoek indient waarin verweerder notabene verwijst naar de termijnen in de Dublinverordening die van toepassing zijn als de vreemdeling in bewaring wordt gehouden om de overdracht te verzekeren. Deze bewaringsmaatregel op asielgrond wordt pas op 17 september 2025 opgeheven en aansluitend aan de opheffing wordt de in deze procedure te toetsen maatregel opgelegd, ditmaal wel op de Dublingrond. Tegen de maatregel die op 6 september 2025 is opgelegd is geen beroep ingesteld en gelet op de duur van de tenuitvoerlegging heeft verweerder geen kennisgeving aan de rechtbank verzonden.
12. De rechtbank heeft verweerder op het arrest van het Hof van 4 oktober 2024 in de zaak Bouskoura (C tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C‑387/24 PPU, ECLI:EU:C:2024:868) en de einduitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 oktober 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:16568) gewezen. Het Hof heeft op 4 oktober 2024 in het arrest Bouskoura -kort gezegd- het Unierecht aldus uitgelegd dat de schottentheorie niet onverenigbaar is met het Unierecht, maar heeft hierbij ook nader geduid dat dit niet mag leiden tot willekeur.
13. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraak van 3 december 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:20144) onder meer het navolgende overwogen:
(…)
14. De rechtbank overweegt hierbij dat “kwade trouw” niet steeds betekent dat verweerder de vreemdeling “willens en wetens onrechtmatig in bewaring houdt”. Er is dus geen opzet op het onrechtmatig voortduren van de vrijheidsontneming vereist om van een willekeurige vrijheidsontneming te kunnen spreken. De rechtbank overweegt dat de autoriteiten die bevoegd zijn om bij wijze van administratieve maatregel het recht op vrijheid tijdelijk te ontnemen, op de hoogte moeten zijn van alle rechtmatigheidsvereisten die aan deze administratieve vrijheidsontneming worden gesteld in wetgeving en in jurisprudentie. Dit geldt niet alleen voor de rechtmatigheidsvereisten voor de oplegging van de maatregel, maar ook voor de rechtmatigheidsvereisten van het laten voortduren van de tenuitvoerlegging van de maatregel. Indien de grondslag van de maatregel is komen te vervallen en de maatregel dus niet meer kan strekken om het doel waarvoor de maatregel is opgelegd te verzekeren, dient die maatregel -zo spoedig mogelijk- te worden opgeheven. Indien verweerder wil onderzoeken of de vreemdeling in bewaring kan worden gehouden ter fine van een ander doel en dus op een andere grondslag, dient verweerder dit ook steeds zo spoedig mogelijk te doen. Verweerder heeft dus een zeer beperkte periode om een vreemdeling in bewaring te houden op een vervallen grondslag en te onderzoeken of een opvolgende maatregel moet worden opgelegd en daarmee te voorkomen dat de vrijheidsontneming onrechtmatig wordt. Het is dus niet zo, zoals de rechtbank ook heeft overwogen in de eerdergenoemde uitspraak van 11 oktober 2024, dat verweerder steeds twee dagen heeft, die zonder meer kunnen verstrijken zonder de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming te regarderen. Verweerder zal onder omstandigheden dan ook gehouden zijn om uit te leggen welke handelingen hij heeft verricht in de periode tussen het vervallen van de grondslag van de voorgaande maatregel en het opleggen van de maatregel die van kracht is op het moment dat de rechter de rechtmatigheid van de vrijheid beoordeelt.
15. Indien verweerder de vreemdeling niet in vrijheid stelt en niet voldoet aan het zo spoedig mogelijk en in ieder geval op de tweede dag na het vervallen van de grondslag, opleggen van een opvolgende maatregel en er hiervoor geen objectieve rechtvaardiging bestaat, zal de rechtbank nagaan of dit betekent of sprake is van willekeurige detentie waartegen de rechter de vreemdeling moet beschermen om een doeltreffende voorziening in rechte te kunnen bieden en dus (zelf) te voldoen aan artikel 47 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. De rechtbank overweegt dat het in aanmerking brengen voor een hogere schadevergoeding niet volstaat als effectief rechtsmiddel en niet volstaat als genoegdoening indien de vreemdeling willekeurig in detentie is gehouden.
(…)
14. Uit vaste Afdelingsjurisprudentie volgt dat indien de grondslag aan een maatregel komt te vervallen, verweerder binnen twee kalenderdagen een maatregel op een andere grondslag moet opleggen indien hij de vreemdeling in bewaring wil houden (uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1869), 31 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2245) en 10 september 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3631). Deze rechtbank en zittingsplaats heeft ook in haar uitspraak van 15 oktober 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:18933) gewezen op het arrest Bouskoura en de einduitspraak van de rechtbank van 11 oktober 2024. De rechtbank stelt vast dat eiser voorafgaand aan de oplegging van deze maatregel op 6 september 2025 op een onjuiste grondslag in bewaring is gesteld en op een onjuiste grondslag in bewaring is gehouden tot 17 september 2025. Verweerder heeft pas op 17 september 2025 onderkend dat de Dublinverordening op eiser van toepassing is en heeft pas op 17 september 2025 een maatregel op de juiste grondslag opgelegd. Verweerder zal niet willens en wetens eiser op 6 september 2025 op een onjuiste grondslag in bewaring hebben gesteld. Het kan verweerder evenwel niet zijn ontgaan dat de Dublinverordening op eiser van toepassing is. Verweerder wil eiser immers op grond van deze verordening overdragen. Verweerder heeft echter eiser ook reeds inhoudelijk over zijn asielmotieven gehoord. Door de asielprocedure ter hand te nemen en tegelijkertijd ook de Dublinprocedure te starten heeft verweerder zich niet vergewist of voldaan is aan de vereisten om eiser ter fine van overdracht in bewaring te stellen. Uit de schottentheorie en het arrest Bouskoura volgt dat elke grondslag van de bewaring gepaard gaat met specifieke vereisten.
15. Verweerder heeft de voorgaande maatregel op 6 september 2025 op een onjuiste grondslag opgelegd. Deze maatregel is daarom onrechtmatig opgelegd en heeft tot aan de opheffing en aansluitend opgelegde maatregel van 17 september 2025 onrechtmatig voortgeduurd. De thans te toetsen maatregel is vanuit deze langdurige periode van onrechtmatige vrijheidsontneming opgelegd. De rechtbank overweegt dat dit de rechtmatigheid van de op 17 september 2025 aantast en dat om eiser te beschermen tegen het buitengewoon onzorgvuldig en onachtzaam handelen van verweerder, het bepalen van een schadevergoeding niet volstaat. Indien verweerder op deze wijze handelt moet worden geoordeeld dat sprake is van willekeurige detentie en is de rechtbank verplicht om eiser in vrijheid te stellen. De rechtbank merkt hierbij op dat indien verweerder eiser op 6 september 2025 wel op de zogenoemde Dublingrondslag in bewaring zou hebben gesteld, de bewaring waarschijnlijk niet korter zou hebben geduurd. Dit laat onverlet dat indien verweerder een derdelander in bewaring stelt, hij uiterste zorgvuldigheid moet betrachten en dat begint er mee dat verweerder zich rekenschap geeft welk doel een mogelijke maatregel dient en onderzoekt of het opleggen van de maatregel om dat doel te bereiken noodzakelijk, proportioneel en evenredig is. Hiervan blijkt in de onderhavige procedure in het geheel niet. Dat, zoals verweerder ter zitting heeft aangevoerd, eiser niet in zijn belangen zou zijn geschaad volgt de rechtbank niet reeds omdat dit niet het beoordelingskader is. Indien verweerder het noodzakelijk, proportioneel en evenredig acht om eiser in bewaring te stellen, dient verweerder dit rechtmatig te doen. Als verweerder eiser onrechtmatig in bewaring stelt, is eiser per definitie in zijn belangen geschaad en vergt dit geen nadere beoordeling. Eiser is van 6 september 2025 tot aan de oplegging op 17 september 2025 van de maatregel op grond waarvan eiser ten tijde van de rechtmatigheidsbeoordeling in bewaring wordt gehouden, onrechtmatig zijn vrijheid ontnomen. Verweerder heeft al deze tijd onrechtmatig inbreuk gemaakt op het grondrecht op vrijheid van eiser en eiser is hierdoor -dus- ernstig in zijn belangen geschaad. Verweerder heeft dit ten tijde van het opleggen van de vorige maatregel, ten tijde van de actuele maatregel en ten tijde van het rechtmatigheidsonderzoek ter zitting niet onderkend. Verweerder heeft eiser niet aangeboden om schade ten gevolge van de onrechtmatige vrijheidsontneming te vergoeden. Dat betekent dat het aan de rechtbank is om gevolgen aan de onrechtmatige vrijheidsontneming te verbinden en dat doet de rechtbank in de onderhavige procedure door de onmiddellijke opheffing van de maatregel te bevelen en de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser te gelasten. De rechtbank merkt hierbij op dat dit geen gevolgen heeft voor de vaststelling van Kroatië als verantwoordelijke lidstaat en ook de mogelijkheden van verweerder om eiser over te dragen niet teniet doet gaan.
16. Gelet op het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat de maatregel op grond waarvan eiser tijdens de rechtmatigheidsbeoordeling door de rechtbank in bewaring wordt gehouden van aanvang af onrechtmatig is. De overige rechtmatigheidsaspecten behoeven dan ook geen beoordeling meer. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 28 oktober 2025 en zal door het opmaken van een ‘akte van opheffing’ zorgdragen dat eiser daadwerkelijk op de dag waarop de kennisgeving van zijn bewaring door de rechtbank is behandeld in vrijheid wordt gesteld.
17. De rechtbank brengt eiser in aanmerking voor schadevergoeding in verband met de onrechtmatige vrijheidsontneming ten gevolge van de op 17 september 2025 opgelegde maatregel. Indien eiser schadevergoeding wenst in verband met de op 6 september 2025 opgelegde maatregel, zal hij zich daarvoor tot verweerder moeten wenden. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 42 dagen onrechtmatige tenuitvoerlegging van de maatregel in het DTC en bepaalt de hoogte van de schadevergoeding op € 4.200,-.
18. Gemachtigde van eiser heeft geen beroep ingesteld en is niet ter zitting verschenen zodat de rechtbank geen proceskostenveroordeling uitspreekt.
19. De rechtbank heeft deze uitspraak mondeling op hoofdlijnen uitgelegd en toegezegd de schriftelijke motivering van de uitspraak spoedig aan het dossier toe te voegen. De rechtbank heeft tevens melding gemaakt van de mogelijkheid om een rechtsmiddel aan te wenden tegen deze uitspraak en de termijn die hiervoor staat.
Deze uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2025 door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. K.M.R.L. Kamp, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: 30 oktober 2025.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.