De minister heeft op 7 augustus 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser, een Algerijnse vreemdeling, welke nog steeds van kracht is. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft eerder op 4 september 2025 geoordeeld dat de maatregel tot dat moment rechtmatig was, waardoor nu alleen de periode na 29 augustus 2025 wordt beoordeeld.
Eiser betoogde dat de minister onvoldoende voortvarend handelt bij de uitzetting, omdat er geen presentatie gepland was en het laatste rappel al een maand geleden plaatsvond. Tevens stelde hij dat er geen zicht op uitzetting bestaat, aangezien zijn laissez-passer-aanvraag al zes maanden zonder resultaat is. De rechtbank oordeelt echter dat de minister voldoende voortvarend is, met vier rappels sinds het vorige onderzoek en recente vertrekgesprekken met eiser.
De rechtbank nam cijfers van de minister in over de periode vanaf 1 oktober 2024, waaruit blijkt dat zicht op uitzetting naar Algerije in het algemeen nog steeds bestaat. Er is geen aanwijzing dat de Algerijnse autoriteiten geen laissez-passer zullen verstrekken. Bovendien rust op eiser de plicht om actief mee te werken aan zijn uitzetting, wat onvoldoende blijkt uit zijn gedrag tijdens vertrekgesprekken.
De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring rechtmatig is voortgezet en wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.