Uitspraak
2.ECLI:NL:RBNHO:2022:8968.
Z.H.. en I.O., afgeleid dat de minister bij zijn beoordeling of het persoonlijk gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, alle feitelijke en juridische gegevens moet betrekken die zien op de situatie van de vreemdeling in relatie met het door hem gepleegde strafbare feit, zoals onder meer de aard en ernst van dat strafbare feit, de omstandigheden waaronder dat feit is gepleegd en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. Steunen op een algemene praktijk of (een) vermoeden volstaat daarom niet.