ECLI:NL:RBDHA:2025:21236

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
SGR 25/4972
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen het niet tijdig beslissen door het Uwv in een medische uitkeringszaak

In deze zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) op zijn bezwaar tegen de afwijzing van zijn WIA-uitkering. De rechtbank heeft vastgesteld dat de beslistermijn is overschreden en dat het Uwv niet tijdig heeft gereageerd op het bezwaar van eiser. De rechtbank heeft bepaald dat het Uwv binnen vier weken na de uitspraak een beslissing moet nemen. Tevens is er een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Eiser heeft ook recht op vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft in haar overwegingen rekening gehouden met de structurele problemen bij het Uwv, zoals het tekort aan verzekeringsartsen, en heeft de termijnen voor het nemen van een beslissing vastgesteld op basis van eerdere uitspraken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/4972

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. H.S. Huisman),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het Uwv
(gemachtigde: [naam] ).

Inleiding

1.1
In het besluit van 13 augustus 2024 heeft het Uwv bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiser heeft op 16 september 2024 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.2.
Eiser heeft op 25 juli 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar.
1.3.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de rechtbank op 3 november 2025 de stand van zaken wat betreft de besluitvorming nader toegelicht.
1.4.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiser heeft het Uwv op 5 maart 2025 in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 6 maart 2025 zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom gegrond.
3. Het Uwv heeft op 21 mei 2025 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiser een dwangsom van € 1.442,- is toegekend. Gelet hierop hoeft de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom niet vast te stellen.
4.1.
Omdat het Uwv nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet het Uwv dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
Eiser heeft de rechtbank verzocht om het Uwv te gelasten alsnog een beslissing te nemen.
4.3.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden vanwege het welbekende artsentekort bij het Uwv.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. [1] In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.
4.5.
In twee uitspraken van 31 maart 2025 heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. [2]
4.6.
Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. [3]
5.1
Het Uwv heeft in het verweerschrift aangevoerd dat de situatie op het kantoor in Leiden inmiddels vergelijkbaar is met de situatie op het kantoor Rotterdam. Daarom verzoekt het Uwv om aan te sluiten bij de termijn die de rechtbank Rotterdam stelt in haar uitspraak van 30 juli 2025. [4]
5.2
Het Uwv heeft in zijn brief van 3 november 2025 toegelicht dat de kwestie momenteel voorligt bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep ter heroverweging op basis van het dossier, en dat de kwestie naar verwachting binnen twee weken voorgelegd kan worden aan de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Nu er op afzienbare termijn een beoordeling wordt verwacht, en het Uwv niet nader heeft onderbouwd waarom een langere termijn nodig zou zijn, ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de beslistermijnen die zij in haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft bepaald. Omdat het Uwv in zijn brief van 3 november 2025 heeft toegelicht binnen twee weken een medische beoordeling te verwachten, geeft de rechtbank het Uwv nog één week om de medische beoordeling af te ronden. Vervolgens geeft de rechtbank het Uwv nog een termijn van drie weken om een besluit bekend te maken. De rechtbank zal in de beslissing hierna dus bepalen dat het Uwv binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak een besluit bekend moet maken
6. Eiser heeft de rechtbank verzocht om een gerechtelijke dwangsom op te leggen. De rechtbank stelt vast dat een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- in overeenstemming is met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover. [5] De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit dossier van dit beleid af te wijken. De rechtbank zal bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
7. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.
8. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om uiterlijk binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing op bezwaar bekend te maken;
  • bepaalt dat het Uwv aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden.
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.
3.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.
4.Rechtbank Rotterdam 30 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9225.
5.https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd.