ECLI:NL:RBDHA:2025:21494
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland op grond van Dublinverordening
Eiser, een Turkse asielzoeker, diende op 28 juni 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat uit Eurodac-gegevens bleek dat eiser op 11 maart 2025 al een asielverzoek in Duitsland had ingediend. Nederland verzocht Duitsland om terugname, wat Duitsland op 14 augustus 2025 accepteerde.
Eiser voerde aan dat het voornemen tot niet-in-behandeling-neming onvoldoende op zijn situatie was toegespitst en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet op Duitsland van toepassing zou zijn vanwege risico op schendingen van zijn rechten. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht verwees naar eerdere jurisprudentie en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in Duitsland een reëel risico loopt op onmenselijke behandeling.
Ook stelde eiser dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met bijzondere individuele omstandigheden die toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening rechtvaardigen. De rechtbank concludeerde dat de door eiser aangevoerde omstandigheden niet leiden tot een onevenredige hardheid die overdracht naar Duitsland zou verbieden.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter A.M.J. Adriaansen op 28 oktober 2025 te Rotterdam.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.