Eiseres, een Syrische vrouw geboren in 1952, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland als familie- of gezinslid van haar meerderjarige kleinzoon met een asielstatus. De minister wees dit verzoek af omdat hij onvoldoende bewijs zag voor hechte persoonlijke banden tussen eiseres en referent, mede omdat de ouders van referent de primaire verzorgers waren.
De rechtbank beoordeelde het beroep en stelde vast dat de minister een cultuurafhankelijke toets hanteerde door de Syrische gezinsdynamiek als maatstaf te nemen, wat niet in overeenstemming is met de vereiste geobjectiveerde beoordeling volgens het EVRM en jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak. Hoewel het besluit een motiveringsgebrek vertoonde, was de inhoudelijke beoordeling voldoende om het besluit te dragen.
De rechtbank concludeerde dat er geen sprake is van hechte persoonlijke banden die de gebruikelijke omgang overstijgen, mede omdat eiseres niet de primaire zorgtaken van de ouders heeft overgenomen en sinds 2019 zelf hulpbehoevend is. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen bleven in stand. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.