ECLI:NL:RBDHA:2025:22214

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
NL25.43632 en NL25.43634
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op asielaanvragen met dwangsom

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, wordt een beroep behandeld van eisers tegen de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat de minister niet tijdig een besluit heeft genomen op de asielaanvragen van de eisers, die op 14 juli 2023 zijn ingediend. De rechtbank had de minister een termijn van zestien weken opgelegd om alsnog een besluit te nemen, met een dwangsom van € 100,- per dag bij overschrijding van deze termijn, tot een maximum van € 15.000,-. De eisers hebben nu een tweede beroep ingesteld omdat de minister opnieuw niet binnen de gestelde termijn heeft beslist.

De rechtbank oordeelt dat de beroepen ontvankelijk en gegrond zijn. De rechtbank legt de minister een nieuwe beslistermijn op van vier weken na verzending van de uitspraak. Indien de minister niet binnen deze termijn beslist, is hij aan de eisers gezamenlijk een dwangsom verschuldigd. De rechtbank overweegt dat de dwangsom redelijk is, gezien de lange duur van de procedure en de eerdere gegrondverklaring van de beroepen. Daarnaast wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van de eisers, vastgesteld op € 453,50. De uitspraak is openbaar gemaakt op rechtspraak.nl en biedt de eisers de mogelijkheid om binnen zes weken een verzetschrift in te dienen als zij het niet eens zijn met de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.43632 en NL25.43634

Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam],

V-nummer: [nummer],

[naam],V-nummer: [nummer],

mede namens hun minderjarige kinderen,
gezamenlijk eisers,
(gemachtigde: mr. F.H. Gart),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In een eerdere procedure [1] heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, de beroepen van eisers tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard. De minister moest binnen een termijn van zestien weken alsnog een besluit nemen op de asielaanvragen. Daarbij heeft de rechtbank ook bepaald dat als de minister niet op tijd een besluit neemt, zij een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
1.1.
Deze uitspraak gaat over de opvolgende beroepen die eisers hebben ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvragen van 14 juli 2023
1.2.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [2]

Beoordeling door de rechtbank

Zijn de beroepen ontvankelijk en gegrond?
2. Voorafgaand aan het instellen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen moeten eisers de minister door middel van een ingebrekestelling laten weten dat zij binnen twee weken alsnog op de aanvragen moet beslissen. [3] Bij een tweede beroep tegen het niet tijdig beslissen op dezelfde aanvragen is een nieuwe ingebrekestelling niet nodig. [4]
3. In de laatste uitspraak, van 3 februari 2025, heeft de rechtbank de minister een beslistermijn opgelegd van zestien weken. De minister heeft niet binnen deze termijn een besluit op de aanvragen genomen.
4. Onderhavige beroepen zijn ontvankelijk en kennelijk gegrond.
Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?
5. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvragen. [5] De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’. [6]
De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden [7] is overschreden een kortere beslistermijn passend is. Als uitgangspunt geldt dat de minister binnen een termijn van acht weken een besluit moet nemen. In dit geval hebben op 23 mei 2025 en nadere gehoren plaatsgevonden en gelet op de tijd die tot op heden (ongebruikt) is verstreken en de eerdere gegrondverklaring van beroepen tegen het uitblijven van een besluit, acht de rechtbank een termijn van vier weken in dit geval niet onnodig lang en niet onrealistisch kort. De rechtbank zal de minister dan ook opdragen om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvragen bekend te maken.
Welke dwangsom legt de rechtbank op?
6. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op. [8]
7. De rechtbank bepaalt in deze zaak dat, als de minister niet binnen de door de rechtbank opgelegde termijn een besluit op de aanvragen neemt, de minister aan eisers gezamenlijk een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. [9] De rechtbank overweegt dat deze dwangsom redelijk is.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en de minister vier weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eisers gezamenlijk een dwangsom verschuldigd.
9. De minister moet de door eisers gezamenlijk gemaakte proceskosten vergoeden. Omdat er sprake is van samenhang stelt de rechtbank deze kosten vast op € 453,50. [10]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen vier weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eisers gezamenlijk een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers gezamenlijk tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van
A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.NL24.47944 en NL24.47948.
2.Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Artikel 6:12, aanhef en onder b, en artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
4.Vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:673.
5.Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
7.Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.
9.Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
10.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5.