De zaak betreft een beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring die de minister van Asiel en Migratie op 18 november 2025 aan hem heeft opgelegd. Eiser betoogt onder meer dat hij tijdens de ophouding niet had mogen worden gehoord zonder zijn gemachtigde, dat de minister de maatregel niet op de juiste juridische en feitelijke gronden baseerde, en dat de minister onvoldoende voortvarend aan zijn asielaanvraag werkt.
De rechtbank oordeelt dat het gehoor tijdens de ophouding niet noodzakelijk was omdat identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie van eiser vaststonden en hij direct werd overgebracht naar een locatie voor verhoor. Het ontbreken van de gemachtigde tijdens het gehoor leidt niet tot onrechtmatigheid van de ophouding. Verder acht de rechtbank de zware gronden die de minister aanvoert, waaronder het risico op onttrekking aan toezicht, feitelijk juist en voldoende om de maatregel te dragen.
Het betoog dat een lichter middel dan inbewaringstelling had moeten worden toegepast, faalt omdat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom bewaring noodzakelijk is. Ook het argument dat de minister onvoldoende voortvarend is in de behandeling van de asielaanvraag wordt verworpen, aangezien de aanvraag pas op 18 november 2025 is ingediend en de behandeling tijdig verloopt.
De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring rechtmatig is en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.