In deze zaak heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) op haar bezwaar tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiseres had op 29 april 2024 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 maart 2024, waarin het Uwv haar aanvraag had afgewezen. Aangezien het Uwv niet binnen de wettelijke termijn van zes weken op het bezwaar had beslist, heeft eiseres op 27 oktober 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiseres had het Uwv op 27 januari 2025 in gebreke gesteld, maar het Uwv had nog steeds niet beslist. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is en dat het Uwv alsnog binnen negen weken na de uitspraak een beslissing op bezwaar moet nemen. Tevens heeft de rechtbank bepaald dat het Uwv een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
De rechtbank heeft ook geoordeeld dat het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht moet vergoeden en dat het Uwv de proceskosten van eiseres moet vergoeden, vastgesteld op € 453,50. De uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van S.I. Teunissen, griffier, en is openbaar uitgesproken op 4 december 2025.