ECLI:NL:RBDHA:2025:23339

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
25.48878
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 8:54 AwbArtikel 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank heeft het beroep beoordeeld zonder zitting en concludeert dat het beroep ongegrond is. De minister mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Oostenrijk, tenzij eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van structurele tekortkomingen die leiden tot een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro. Eiser heeft dit niet voldoende onderbouwd.

Daarnaast is het betoog van eiser over indirect refoulement niet ontvankelijk omdat binnen de Dublinprocedure niet wordt getoetst of er een risico op indirect refoulement bestaat, tenzij het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt. Dit is hier niet het geval.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor het besluit van de minister in stand blijft en eiser kan worden overgedragen aan Oostenrijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48878

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 6 oktober 2025 niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Oostenrijk op 27 augustus 2025 een verzoek om terugname gedaan. Oostenrijk heeft dit verzoek op 1 september 2025 aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser stelt dat hij in Oostenrijk geen zorgvuldige asielprocedure kan krijgen. Hierdoor loopt hij het risico op doorgeleid te worden naar zijn land van herkomst, waar hij risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 3 EVRM Pro [2] . Ook vermoedt eiser dat zijn asielaanvraag in Oostenrijk zal worden afgewezen, en dat hij hiertegen geen effectief rechtsmiddel zal kunnen instellen. Hierbij wijst eiser op het AIDA-rapport 2023 update. Eiser vreest na overdracht terecht te komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, en wijst hierbij op het arrest Jawo.
5.1.
De minister mag ten aanzien van Oostenrijk in het algemeen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn situatie anders is. Dat is het geval als eiser aannemelijk maakt dat sprake is van structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem die een bijzondere hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om onder het bereik van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest [3] te vallen.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. De Afdeling [4] heeft in verschillende uitspraken geoordeeld dat ten aanzien van Oostenrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. [5] In wat eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Oostenrijk heeft met het claimakkoord gegarandeerd dat eisers asielaanvraag in behandeling wordt genomen met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen. Mocht eiser na overdracht van mening zijn dat Oostenrijk zijn verplichtingen, zoals het niet bieden van opvang en andere voorzieningen, niet nakomt dan ligt het op zijn weg om daarover in Oostenrijk te klagen. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet gebleken. Ook is niet gebleken dat de autoriteiten van Oostenrijk hem niet zouden willen of kunnen helpen. De enkele stelling daartoe is onvoldoende.
Indirect refoulement
6. Ten aanzien van het betoog van eiser dat hij bij overdracht aan Oostenrijk vreest voor indirect refoulement, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het Hof [6] van 30 november 2023 [7] en de Afdeling van 12 juni 2024 [8] . Uit die uitspraken volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land, omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Zoals hiervoor onder 5.2. is overwogen kan ten aanzien van Oostenrijk nog altijd worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank onderzoekt daarom niet of er bij overdracht aan Oostenrijk een risico is op indirect refoulement. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser kan worden overgedragen aan Oostenrijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Zie de uitspraken van 13 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2017), 24 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4303) en 8 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:31).
6.Europese Hof van Justitie.
7.ECLI:EU:C:2023:934.