Eiser, een Tunesische nationaliteit dragende vreemdeling, is op 28 oktober 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een overdracht aan Oostenrijk volgens de Dublinverordening. Eiser betwistte de rechtmatigheid van de bewaring en stelde meerdere beroepsgronden aan de orde, waaronder onvolledigheid van het dossier, onrechtmatigheid van de ophouding, onjuiste grondslag van de maatregel en het ontbreken van zicht op overdracht.
De rechtbank oordeelt dat het dossier voldoende is en dat de ophouding slechts marginaal te lang duurde, wat niet leidt tot onrechtmatigheid van de maatregel. De rechtbank bevestigt dat de maatregel terecht is gebaseerd op de Dublinverordening en dat een concreet aanknopingspunt voor overdracht aanwezig is. De stellingen van eiser over het ontbreken van een overdrachtsbesluit en het ontbreken van een lichter middel worden verworpen, mede omdat eiser geen concrete schade heeft aangetoond.
Verder is vastgesteld dat er geen ruimte is voor toetsing van indirect refoulement in deze Dublinprocedure en dat eiser geen omstandigheden heeft aangevoerd die een risico op refoulement aannemelijk maken. De rechtbank concludeert dat de bewaring rechtmatig is opgelegd en voortduurt, verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Wel veroordeelt zij verweerder tot betaling van de proceskosten van €1.814,-.