ECLI:NL:RBDHA:2025:24214

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
SGR 25/5163
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen het niet tijdig beslissen in medische zaak van het Uwv

In deze zaak heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in een medische kwestie. De rechtbank heeft vastgesteld dat de beslistermijn is overschreden, aangezien eiseres op 10 juli 2024 bezwaar heeft gemaakt tegen een besluit van het Uwv van 27 juni 2024, waarin haar aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) werd afgewezen. Eiseres heeft op 6 augustus 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op haar bezwaar. De rechtbank heeft het Uwv verzocht om de voortgang van de bezwaarprocedure toe te lichten, maar het Uwv heeft niet kunnen onderbouwen waarom de beslistermijn van negen weken onrealistisch zou zijn. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv binnen negen weken na de uitspraak een besluit moet nemen. Tevens heeft de rechtbank bepaald dat het Uwv een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het Uwv opgedragen om alsnog binnen de gestelde termijn een beslissing te nemen, en het Uwv veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/5163

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. J. van der Woude),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het Uwv
(gemachtigde: [naam]).

Inleiding

1.1.
In het besluit van 27 juni 2024 heeft het Uwv bepaald dat eiseres niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiseres heeft op 10 juli 2024 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.2.
Eiseres heeft op 6 augustus 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar.
1.3.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het Uwv in haar brief van 10 november 2025 verzocht de voortgang van de bezwaarprocedure toe te lichten.
1.5.
Het Uwv heeft op 12 november 2025 een brief verstuurd met een toelichting op de procedure en de omstandigheden op het kantoor Leiden.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Eiseres is met voorafgaand bericht niet verschenen. Namens het Uwv is de gemachtigde verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiseres heeft het Uwv op 17 januari 2025 in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 17 januari 2025 zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom gegrond.
3. Het Uwv heeft op 6 juni 2025 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend. Gelet hierop hoeft de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom niet vast te stellen.
4.1.
Omdat het Uwv nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet het Uwv dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen binnen twee weken na het doen van uitspraak alsnog een besluit bekend te maken.
4.3.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden als gevolg van het welbekende artsentekort. Daarnaast voert het Uwv in het verweerschrift aan dat de situatie op het kantoor in Leiden inmiddels de situatie op het kantoor Rotterdam benadert. Daarom verzoekt het Uwv om aan te sluiten bij de termijn die de rechtbank Rotterdam stelt in haar uitspraak van 30 juli 2025. [1] Volgens die rechtbank dient het Uwv in dit soort zaken alsnog een besluit bekend te maken binnen 30 weken bij een werknemersberoep en binnen 40 weken bij een werkgeversberoep, welke termijn wordt berekend vanaf de datum waarop de rechtbank het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen heeft ontvangen.
4.4.
In zijn brief van 12 november 2025 heeft het Uwv de omstandigheden op het kantoor Leiden nader uiteengezet. Door vertrek en uitval van verzekeringsartsen bezwaar en beroep (b&b) was op de afdeling B&B gedurende verschillende maanden uitsluitend een parttime verzekeringsarts beschikbaar, en gedurende enige tijd zelfs geheel geen. De wachtlijst voor beoordeling door een verzekeringsarts B&B bevatte in de zomer rond de 600 zaken. Op het moment van schrijven van de brief van 12 november 2025 waren er sinds een maand weer twee verzekeringsartsen B&B beschikbaar en had de wachtlijst een omvang van 245 zaken.
4.5.1
Het Uwv heeft zijn stellingen ter zitting verder toegelicht. Van de twee werkzame verzekeringsartsen b&b was er een primaire verzekeringsarts, die nu wordt opgeleid tot verzekeringsarts b&b. De andere verzekeringsarts heeft al ervaring als verzekeringsarts b&b. Het aantal beoordelingen dat op de wachtlijst staat is teruggelopen omdat verzekeringsartsen van het kantoor Den Haag hebben geassisteerd met de beoordelingen, hoewel ook op dat kantoor de achterstanden oplopen.
4.5.2
De rechtbank heeft er ter zitting op gewezen dat in de zaken die het kantoor Leiden betreffen door het Uwv niet steeds consistent verweer wordt gevoerd. In diverse zaken, die ook heden op zitting worden behandeld, is namelijk verzocht om een beslistermijn van 9 weken na de uitspraak, in andere – zoals in de hier voorliggende zaak – om een beslistermijn van 30 dan wel 40 weken, afhankelijk van de vraag of het een werknemers- of een werkgeversberoep betreft.
4.5.3
Ter zitting heeft het Uwv bevestigd dat het in deze zaak gedane verzoek om aan te sluiten bij de beslistermijnen van de rechtbank Rotterdam, geen verzoek is dat het Uwv consequent in dit soort zaken aanvoert. Het Uwv heeft de rechtbank op de zitting de suggestie gedaan om, als de rechtbank dat noodzakelijk zou vinden, schriftelijk nadere vragen voor te leggen. Over de situatie omtrent de beroepen ntb in het algemeen heeft het Uwv ter zitting toegelicht dat deze problematisch is. De werklast is hoog en beroepen worden inmiddels steeds vroeger ingesteld, waardoor de aantallen zaken stijgen. De dwangsommen kosten het Uwv veel geld. Deze dwangsommen hebben door het grote aantal eigenlijk ook geen effect meer, hoewel beroepszaken wel nog steeds voorrang krijgen. Volgens het Uwv wordt het bovendien meer en meer als oneerlijk ervaren dat mensen die op een uitkering wachten maar die geen beroep instellen, geen voorrang krijgen.
5.1
Zoals al meermalen in vergelijkbare zaken overwogen, is de rechtbank van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. [2] In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.
5.2
In twee uitspraken van 31 maart 2025 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. [3] De rechtbank heeft in de genoemde uitspraken van de meervoudige kamer verder geoordeeld en gemotiveerd dat zij geen aanleiding ziet om onderscheid te maken in beslistermijnen tussen beroepen ntb van werkgevers en beroepen ntb van werknemers.
5.3
Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van de in 5.2 genoemde termijnen af te wijken. Het is dan aan partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen.
5.4
In deze zaak doet het Uwv een beroep op bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de situatie op het kantoor Leiden en verzoekt het om die reden om een langere beslistermijn. De rechtbank ziet evenwel geen aanleiding om een langere beslistermijn te bepalen en motiveert dat hierna als volgt.
5.5
Het Uwv heeft in het verweer niet toegelicht of onderbouwd waarom de door deze rechtbank gehanteerde termijn van negen weken na de datum waarop de uitspraak verzonden wordt, onrealistisch kort zou zijn. De rechtbank heeft op zichzelf begrip voor de moeilijke situatie waarin het Uwv zich door de artsentekorten bevindt. Ook begrijpt de rechtbank dat dit leidt tot grote (werk)druk bij diverse groepen medewerkers. De rechtbank leest het verweer echter zo, dat in de afgelopen periode in Leiden enige tijd sprake is geweest van een situatie waarin er geen verzekeringsartsen (b&b) beschikbaar waren. Desondanks is het Uwv erin geslaagd de wachtlijst terug te brengen van 600 naar 245 beoordelingen. Dat dat is gebeurd door (tijdelijk) artsen van een ander kantoor in te zetten, duidt erop dat er (tijdelijke) oplossingen denkbaar en uitvoerbaar zijn geweest, en mogelijk nog zijn. Verder is, zo blijkt uit het verweer en hetgeen ter zitting is besproken, de situatie in Leiden juist weer iets verbeterd doordat er (weer) twee verzekeringsartsen beschikbaar zijn. Daarbij komt dat het Uwv met haar beroep op de uitspraken van de rechtbank Rotterdam ook niet heeft toegelicht waarom verschillende termijnen voor werknemers- en werkgeversberoepen ntb wenselijk zouden zijn.
De rechtbank ziet ook geen aanleiding om het onderzoek te heropenen en schriftelijk (nadere) vragen aan het Uwv te stellen. Nu uit het verweer al blijkt dat de achterstanden op het kantoor Leiden deels zijn weggewerkt en de situatie daar iets verbeterd is, acht de rechtbank dat niet nodig. Daarbij komt dat de rechtbank in haar brief van 10 november 2025 het Uwv al in de gelegenheid heeft gesteld om de stand van zaken in de procedure toe te lichten. De rechtbank hecht bij haar oordeel verder belang aan het haar ambtshalve bekende feit dat het Uwv het in deze zaak gevoerde verweer in andere beroepen ntb die ook betrekking hebben op het kantoor Leiden niet heeft aangevoerd. Ten slotte is het feit dat de problematiek van lange wachttijden, hoge werklast en een veelvoud aan beroepen en dwangsommen ook bij andere kantoren van het Uwv speelt, geen reden om af te wijken van de beslistermijn die zij in haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft bepaald. Het Uwv heeft zijn stelling dat dwangsommen geen effect meer hebben niet onderbouwd, waardoor er ook op dit punt geen aanleiding is om af te wijken van de uitspraken van 31 maart 2025.
5.6.
De conclusie is dat de rechtbank geen afwijkende termijn zal opleggen.
6. In dit beroep heeft het Uwv in het verweerschrift en in zijn brief van 12 november 2025 aangegeven dat het bezwaarschrift met voorrang wordt afgehandeld, maar dat niet kan worden aangegeven wanneer de beslissing wordt genomen. Het is de rechtbank dus niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.
6. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om een gerechtelijke dwangsom op te leggen van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-. Dit is in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover. [4] De rechtbank zal daarom bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
7. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
8. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om uiterlijk binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden.
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.
4.https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd.