ECLI:NL:RBDHA:2025:24322

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
25/7041
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen het niet tijdig beslissen door het Uwv in een medische zaak

Op 18 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak tussen de minister van Justitie en Veiligheid en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). De zaak betreft een beroep ingesteld door de minister wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar met betrekking tot de uitkering van een (ex)-werknemer, die op 30 augustus 2024 door het Uwv was vastgesteld. De minister heeft op 4 oktober 2024 bezwaar gemaakt tegen dit besluit, maar het Uwv heeft tot op heden geen beslissing genomen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de termijn voor het beslissen op het bezwaar is overschreden en heeft het beroep gegrond verklaard. De rechtbank heeft bepaald dat het Uwv binnen negen weken na de uitspraak een beslissing op bezwaar moet nemen. Tevens is er een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank heeft ook bepaald dat het Uwv het griffierecht van € 385,- aan de minister moet vergoeden en de proceskosten van € 453,50 moet betalen. De uitspraak is gedaan zonder zitting, omdat het beroep kennelijk gegrond was. De rechtbank heeft in haar overwegingen verwezen naar eerdere uitspraken waarin vergelijkbare situaties zijn behandeld, waarbij de noodzaak van een medische beoordeling door een verzekeringsarts werd benadrukt. De rechtbank heeft de termijn voor het Uwv om een beslissing te nemen vastgesteld op basis van de specifieke omstandigheden van de zaak, waarbij rekening is gehouden met de structurele problemen bij het Uwv met betrekking tot het tijdig nemen van beslissingen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/7041

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen

de minister van Justitie en Veiligheid, eiser

(gemachtigde: [naam 1]),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, Uwv

(gemachtigde: [naam 2]).

Inleiding

1.1.
In het besluit van 30 augustus 2024 heeft het Uwv bepaald dat de uitkering van de (ex)-werknemer van eiser, [naam 3], op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) niet wordt gewijzigd. Eiser heeft op 4 oktober 2024 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.2.
Eiser heeft op 2 oktober 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar.
1.3.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank overweegt dat vaststaat dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiser heeft het Uwv op 29 juli 2025 in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op bezwaar. Het beroep is daarom gegrond.
3. Het Uwv heeft op 24 september 2025 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiser een dwangsom van € 1.442,- is toegekend. Gelet hierop, hoeft de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom niet vast te stellen.
4. Omdat het Uwv nog geen besluit op het bezwaar heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet het bestuursorgaan in beginsel binnen twee weken na verzending van de uitspraak een besluit bekendmaken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. [1] In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.
4.2.
In twee uitspraken van 31 maart 2025 heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat hij binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. [2]
4.3.
Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. [3]
5. Het Uwv heeft aangevoerd dat de situatie op het kantoor in Utrecht inmiddels de situatie op het kantoor Rotterdam benadert. Daarom verzoekt het Uwv om aan te sluiten bij de termijn die de rechtbank Rotterdam stelt in haar uitspraak van 30 juli 2025. [4] Volgens die rechtbank dient het Uwv in dit soort zaken alsnog een besluit bekend te maken binnen 30 weken bij een werknemersberoep en binnen 40 weken bij een werkgeversberoep, gerekend vanaf de datum waarop de rechtbank het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen heeft ontvangen.
5.1.
Het Uwv heeft zijn stelling over de situatie op het kantoor Utrecht niet nader toegelicht of onderbouwd en evenmin toegelicht waarom de door deze rechtbank gehanteerde termijn van negen weken onrealistisch kort zou zijn. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om af te wijken van de beslistermijn die zij in haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft bepaald.
6. Het Uwv stelt in het verweerschrift dat nog niet kan worden aangegeven wanneer de betrokken werknemer op het spreekuur van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zal worden opgeroepen. Het is de rechtbank daarom niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.
7. Eiser heeft de rechtbank verzocht om een gerechtelijke dwangsom op te leggen van € 100,- per dag. De rechtbank stelt vast dat deze dwangsom in overeenstemming is met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit dossier van dit beleid af te wijken. De rechtbank zal bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de hierboven genoemde beslistermijn van negen weken door hem wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
8. Eiser heeft de rechtbank tevens verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de geleden schade, tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand en het griffierecht en tot vergoeding van de kosten van de ingeschakelde deskundige(n).
9. Uit de dossierstukken blijkt echter niet welke concrete schade is geleden noch welke specifieke kosten voor een ingeschakelde deskundige(n) zijn gemaakt. Voor vergoeding van geleden schade en kosten van een ingeschakelde deskundige(n) bestaat derhalve geen aanleiding.
10. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.
11. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om uiterlijk binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing op bezwaar bekend te maken;
  • bepaalt dat het Uwv aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 385,- aan eiser moet vergoeden.
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van
S.I. Teunissen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025.
griffier
rechter
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.
2.Uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.2.
3.Uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.
4.Uitspraak van de Rechtbank Rotterdam 30 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9225.