AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bestuurlijke boetes wegens overtreding van de opkoopbescherming in Den Haag
In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 7 oktober 2025, zijn de beroepen van eisers, twee broers die gezamenlijk eigenaar zijn van een woning, gegrond verklaard. De eisers hadden tegen de aan hen opgelegde bestuurlijke boetes van € 10.000,- elk beroep aangetekend, omdat zij de woning in gebruik hadden gegeven in strijd met de opkoopbescherming. De rechtbank oordeelde dat de boetes aanvankelijk terecht waren opgelegd, maar dat de hoogte van de boetes gematigd moest worden vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde de boetes vast op € 4.750,- per eiser. De rechtbank oordeelde dat de eisers niet aannemelijk hadden gemaakt dat de boetes onevenredige gevolgen voor hen hadden, maar dat de overschrijding van de redelijke termijn wel aanleiding gaf tot matiging. De rechtbank vernietigde de eerdere besluiten van de gemeente Den Haag over de hoogte van de boetes en bepaalde dat de gemeente het griffierecht en proceskosten aan de eisers moest vergoeden.
Voetnoten
1.Dat volgt uit artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1971. 3.Zie artikel 5:27 van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 (huidig: Huisvestingsverordening Den Haag 2023, hierna: de Huisvestingsverordening).
4.Artikel 5:41 van de Awb.
5.Artikel 7:2, zevende lid, van de Huisvestingsverordening in samenhang met Bijlage II bij de Huisvestingsverordening.
6.Op grond van artikel 5:46, derde lid, van de Awb.
8.Artikel 2:3, eerste lid, van de Beleidsregel matiging.
9.Artikel 2:3, derde lid, van de Beleidsregel matiging.
10.Artikel 2:3, vijfde lid, van de Beleidsregel matiging.
12.Waaronder de huuropbrengsten van de woning van € 1.500 per maand.
16.De rechtbank geeft hierbij toepassing aan artikel 8:72a van de Awb.
17.1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 907,- per punt en een wegingsfactor 1.