ECLI:NL:RBDHA:2025:27613

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
SGR 23/3920, 23/4002 en 23/4087
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 3:2 AwbArt. 3:9 AwbArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 10 beheersverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen omgevingsvergunning voor woningbouw op bestaand bedrijfsgebouw ongegrond verklaard

Deze uitspraak betreft beroepen tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar om een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een woning op een bestaand bedrijfsgebouw. Eisers I en II betwisten de vergunning op grond van onder meer strijd met de beheersverordening, privacy, bezonning en stedenbouwkundige aspecten. Eisers III zijn niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang, omdat zij zijn verhuisd en geen aantoonbare schade hebben ondervonden.

De rechtbank oordeelt dat de kruimelgevallenregeling van toepassing is, waardoor het college mocht afwijken van de beheersverordening ondanks overschrijding van de maximale goot- en nokhoogte. De stedenbouwkundige beoordeling is zorgvuldig en begrijpelijk, en het college mocht het positieve welstandsadvies volgen. De bezonningsstudie is niet onvolledig en er is geen sprake van onevenredige schaduwhinder.

Wat betreft privacy stelt de rechtbank dat enige inkijk inherent is aan wonen in een stedelijke omgeving en dat het algemene belang van woningbouw zwaarder weegt dan het privacybelang van eisers. Alternatieve bouwplannen zijn niet gelijkwaardig en leiden niet tot aanmerkelijk minder bezwaren. De beroepen van eisers I en II worden ongegrond verklaard en eisers III worden niet-ontvankelijk verklaard. Eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eisers III is niet-ontvankelijk verklaard en de beroepen van eisers I en II zijn ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 23/3920, 23/4002 en 23/4087

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen

23 23/3920

[eisers I], uit [woonplaats] , eisers I,
23/4002
[eiser II], uit [woonplaats] , eiser II,
23/4087
[eisers III]uit [woonplaats] , eisers III,
gezamenlijk: eisers
en

het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar

(gemachtigde: M. Ramlal).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel:
[derde-partij]uit [woonplaats] , vergunninghouder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beroepen van eisers tegen het besluit van het college om een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een woning op het bestaande bedrijfsgebouw aan de [adres] . Eisers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beroepen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eisers III niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van procesbelang en dat de beroepsgronden van eisers I en eiser II niet slagen. De beroepen van eisers I en eiser II zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Vergunninghouder is de eigenaar van het bedrijfsgebouw aan de [adres] , waar zijn aannemersbedrijf is gevestigd. Vergunninghouder wil een woning van één bouwlaag bouwen op zijn bedrijfsgebouw om daar te gaan wonen. Op 4 maart 2022 heeft vergunninghouder voor dit bouwplan een omgevingsvergunning aangevraagd.
2.1.
Met het besluit van 17 oktober 2022 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten “het bouwen van een bouwwerk” en “het handelen in strijd met de regels van een beheersverordening” als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Met het bestreden besluit van 3 mei 2023 op de bezwaren van eisers heeft het college het primaire besluit, onder verwijzing naar het advies van de Commissie Bezwaarschriften van 22 februari 2023, in stand gelaten en de motivering aangevuld.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , de gemachtigde van het college en vergunninghouder, vergezeld door [naam 5] .

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
3.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 4 maart 2022. Dat betekent dat in deze zaken de Wabo van toepassing blijft.
Hebben eisers III procesbelang?
4. Eisers III hebben ter zitting medegedeeld dat zij inmiddels verhuisd zijn. De rechtbank moet daarom, voordat kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep van eisers III, beoordelen of zij nog procesbelang hebben.
4.1.
Procesbelang is het belang dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de belanghebbende voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de belanghebbende van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft een belanghebbende die opkomt tegen een besluit, belang bij een beoordeling van zijn beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure is komen te vervallen. In dat geval is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan. [1]
4.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) [2] blijkt dat in beginsel geen sprake is van procesbelang wanneer iemand opkomt tegen een omgevingsvergunning die is verleend voor een bepaalde activiteit en diegene als gevolg van een verhuizing niet langer woonachtig is in de omgeving van die activiteit.
4.3.
Als iemand stelt schade te hebben geleden, kan dat betekenen dat hij belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [3] blijkt dat procesbelang in een dergelijk geval alleen kan bestaan als tot op zekere hoogte aannemelijk is gemaakt dat deze schade daadwerkelijk is geleden als gevolg van het bestreden besluit.
4.4.
De rechtbank stelt vast dat eisers III ter zitting hebben toegelicht dat zij, onder meer, vanwege het vergunde bouwplan zijn verhuisd. Eisers III hebben niet gesteld dat zij op hun nieuwe adres nog gevolgen ondervinden van het vergunde bouwplan. Eisers III hebben naar voren gebracht dat hun verkochte huis mogelijk in waarde is verminderd, maar zij hebben naar het oordeel van de rechtbank geen begin van het bewijs geleverd dat tot op zekere hoogte aannemelijk is dat deze schade daadwerkelijk is geleden als gevolg van het bestreden besluit.
4.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is het procesbelang van eisers III in het licht van het voorgaande komen te vervallen. Het beroep van eisers III is daarom
niet-ontvankelijk. Dat betekent dat hun beroepsgronden niet inhoudelijk worden behandeld.
De beroepsgronden van eisers I en eiser II
5. Eisers betogen dat het college de omgevingsvergunning niet had mogen verlenen. Zij voeren hiertoe aan dat het bouwplan niet voldoet aan de regels in de beheersverordening.
Bovendien is volgens eisers geen sprake van een kruimelgeval waarmee van de beheersverordening kan worden afgeweken. Daarnaast past het bouwplan volgens eisers niet in de omgeving, omdat het geen kapverdieping heeft. Verder heeft het college volgens eisers onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de omwonenden, omdat het bouwplan leidt tot een ernstige aantasting van hun privacy. Eisers vrezen verder voor een toename van de schaduwwerking en stellen dat de periode van oktober tot februari in het bezonningsonderzoek ten onrechte niet is onderzocht.
De beheersverordening
6. Ter plaatse geldt de beheersverordening “Centrum”. De gronden waarop het bouwplan is voorzien hebben de enkelbestemming “Bedrijfsdoeleinden”.
6.1.
Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de regels van de beheersverordening zijn de op de plankaart voor “Bedrijfsdoeleinden” aangewezen gronden bestemd voor bedrijvigheid in de categorieën 1 en 2 van de als bijlage bij deze voorschriften opgenomen staat van bedrijven, alsmede voor bijbehorende erven, terreinen en bouwwerken, geen gebouw zijnde ten behoeve van de functie en voor wonen uitsluitend voor zover het de verdiepingen betreft, behoudens entrees.
6.2.
Niet in geschil is dat het bouwplan niet voldoet aan artikel 10, tweede lid, van de regels van de beheersverordening, omdat de ter plaatse geldende maximale goot- en nokhoogte van 6 meter worden overschreden. De goot- en nokhoogte van het bouwplan zijn volgens de bouwtekeningen ruim 8,5 meter.
Kruimelgevallenregeling
7. De rechtbank stelt vast dat het college een omgevingsvergunning kan verlenen voor het afwijken van de beheersverordening als het gaat om een bouwplan dat is opgenomen in artikel 4 van Pro bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Dit is de zogenoemde kruimelgevallenregeling. De rechtbank overweegt met de voorzieningenrechter [4] dat de kruimelgevallenregeling, in tegenstelling tot wat eisers betogen, niet beperkt is tot kleine bouwwerken, zoals een dakkapel. Onder een bijbehorend bouwwerk in de zin van artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor wordt ook de uitbreiding van een hoofdgebouw verstaan. In dit geval is sprake van de uitbreiding van een hoofdgebouw, omdat het bestaande bedrijfsgebouw wordt uitgebreid met een extra bouwlaag. De afwijking van de beheersverordening ziet enkel op de goot- en nokhoogte. Het is immers op grond van artikel 10, eerste lid, van de regels van de beheersverordening toegestaan om te wonen op de verdiepingen. In het licht van het voorgaande is de rechtbank met de voorzieningenrechter van oordeel dat de uitbreiding van het bedrijfsgebouw is gerelateerd aan het planologisch toegestane gebruik en dat sprake is van een kruimelgeval waarmee van de beheersverordening kan worden afgeweken.
Stedenbouwkundige onderbouwing
8. Het betoog van eisers dat het bouwplan niet voldoet aan het “Beleid Kruimelgevallen gemeente Wassenaar 2015” (de beleidsregels) en dat de omgevingsvergunning daarom niet had mogen worden verleend, slaagt niet. Dat het bouwplan niet voldoet aan het de beleidsregels betekent niet dat college de kruimelgevallenregeling niet kon toepassen. Zoals volgt uit de uitspraak [5] van
20 september 2022 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank zijn de beleidsregels een aanvulling op de wettelijke kruimelgevallenregeling. Omdat de beleidsregels niet voorschrijven dat een omgevingsvergunning wordt geweigerd in gevallen die niet in de beleidsregels omschreven staan, is van strijd met de beleidsregels geen sprake.
8.1.
Voor zover eisers vraagtekens hebben geplaatst bij de onafhankelijkheid van de stedenbouwkundig adviseur, overweegt de rechtbank dat het college, hoewel het niet aan het stedenbouwkundig advies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor de stedenbouwkundige beoordeling bij hem berust, op de stedenbouwkundige beoordeling mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van Pro de Awb voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van Pro de Awb voor andere adviseurs. Het overnemen van de stedenbouwkundige beoordeling behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd dan wel concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. Eisers hebben geen objectieve aanknopingspunten aangedragen om tot het oordeel te komen dat het college niet mocht afgaan op het stedenbouwkundig advies. Bovendien hebben zij zelf geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een deskundig tegenadvies over te leggen. Dat de stedenbouwkundig adviseur een medewerker van de gemeente Wassenaar is, maakt het voorgaande niet anders. Het betoog slaagt niet.
Welstand
9. De rechtbank stelt vast dat ter zitting is gebleken dat eisers niet op de hoogte waren van de mogelijkheid om aanwezig te zijn bij de vergadering van de welstandscommissie. De rechtbank begrijpt dat zowel vergunninghouder als eisers liever hadden dat eisers wel aanwezig waren bij deze vergadering, maar dat betekent niet dat het college het positieve welstandsadvies van 5 september 2022 niet mocht volgen. Met de voorzieningenrechter is de rechtbank van oordeel dat eisers geen tegenadvies van een deskundig te achten persoon of instantie in het geding hebben gebracht, zodat de rechtbank geen reden heeft om te twijfelen aan deze adviezen en het college daarop mocht afgaan. Het betoog slaagt niet.
Bezonning
10. Wat betreft de bezonningsstudie en de gestelde schaduwhinder kan de rechtbank het college volgen in het standpunt dat geen dat geen sprake is van een onvolledige bezonningsstudie en onevenredige schaduwhinder. Zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen is de bezonningstudie niet onvolledig omdat de wintermaanden niet zijn onderzocht. Het aantal mogelijke zonuren is dan dermate klein is dat nooit kan worden voldaan aan de landelijk erkende TNO-bezonningsnorm. Verder heeft de voorzieningenrechter overwogen dat uit de bezonningsstudie volgt dat eisers I en eiser II slechts beperkt last zullen ondervinden van het bouwplan en dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van onevenredige schaduwhinder of onaanvaardbare afname van bezonning. De rechtbank onderschrijft dit oordeel van de voorzieningenrechter. Het betoog slaagt niet.
Privacy
11. Voor zover eisers betogen dat het bouwplan leidt tot een onevenredige inbreuk op hun privacy, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank begrijpt dat eisers het vervelend vinden dat vanuit meerdere plekken in de woning zicht kan zijn op hun percelen en ramen. De rechtbank stelt echter voorop dat volgens vaste rechtspraak aan wonen in een stedelijke omgeving inherent is dat er enige inkijk is, waardoor er niet snel sprake is van een onevenredige aantasting van de privacy. [6] Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank het algemene belang van woningbouw zwaarder mogen laten wegen dan het privacybelang van eisers. Daartoe overweegt de rechtbank dat enige aantasting van de privacy weliswaar niet is uit te sluiten, maar dat deze aantasting niet zodanig onevenredig is dat het college bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan het heeft gedaan. Het college heeft de ter plaatse maximaal toegestane planologische invulling daarbij kunnen betrekken en verder acht de rechtbank van belang dat het bouwplan blijkens het dossier op ten minste 16 meter van de woningen van eisers is voorzien.
11.1.
De rechtbank ziet gelet op de genoemde afstand en het stedelijke karakter van de wijk ook geen aanleiding voor het oordeel dat het uitzicht van eisers I onaanvaardbaar wordt aangetast. Daarbij betrekt de rechtbank dat volgens vaste rechtspraak [7] geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat en dat dit nog minder geldt in een binnenstedelijke omgeving. Het betoog slaagt niet.
Alternatieven
12. Voor zover eisers hebben gewezen op alternatieven die mogelijk beter zouden zijn voor omwonenden en ook aanvaardbaar zouden zijn voor vergunninghouder, overweegt de rechtbank dat indien een project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven slechts dan noopt tot het onthouden van medewerking, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van één of meerdere alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Dit volgt uit vaste rechtspraak. [8] De rechtbank begrijpt dat op de locatie een bouwplan gerealiseerd zou kunnen worden met minder gevolgen voor de omgeving, maar overweegt ook dat vergunninghouder ter zitting heeft toegelicht dat alternatieve bouwplannen geen vergelijkbaar resultaat opleveren. Naar het oordeel van de rechtbank is bij de door eisers aangedragen alternatieve bouwplannen geen sprake van een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren. De aangedragen alternatieven hebben namelijk betrekking op situaties waarin vergunninghouder niet op het perceel gaat wonen, dan wel het aannemersbedrijf zou moeten beëindigen om in het gebouw te kunnen wonen zonder een extra bouwlaag toe te voegen. Het betoog slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep van eisers III is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat hun beroepsgronden niet inhoudelijk worden behandeld. De beroepen van eisers I en eiser II zijn ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep van eisers III niet-ontvankelijk;
  • verklaart de beroepen van eisers I en eiser II ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.A. Klein, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5005.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4713.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:106.
4.Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 10 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:9958.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1285.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3598.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:375.