ECLI:NL:RBDHA:2025:2788
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van zijn maatregel van vreemdelingenbewaring die op 10 januari 2025 is opgelegd. De rechtbank heeft eerder op 28 januari 2025 de rechtmatigheid van de maatregel tot dat moment bevestigd en beoordeelt nu of de maatregel sinds het sluiten van het onderzoek op 21 januari 2025 nog steeds rechtmatig is.
Eiser betoogt dat er geen zicht is op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn en dat de minister onvoldoende voortvarend is in het bevorderen van zijn uitzetting. Daarnaast stelt eiser dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel dan bewaring kan worden volstaan, mede vanwege het recht op familieleven onder artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelt dat het zicht op uitzetting niet ontbreekt, mede omdat de Algerijnse autoriteiten de aanvraag nog in behandeling hebben en eiser zelf geen stappen onderneemt om de procedure te bespoedigen. De minister heeft voldoende voortvarend gehandeld door op 6 februari 2025 te rappelleren bij de Algerijnse autoriteiten. De belangenafweging tussen de minister en eiser valt in het voordeel van de minister uit, mede omdat geen bijzondere omstandigheden zijn die een zwaarder gewicht aan de belangen van eiser geven.
De rechtbank verwijst naar eerdere rechtsoverwegingen in de uitspraak van 28 januari 2025 en concludeert dat de maatregel van bewaring rechtmatig blijft. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.