ECLI:NL:RBDHA:2025:13684

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2025
Publicatiedatum
25 juli 2025
Zaaknummer
NL25.29457
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 Vw 2000Art. 5 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting

De rechtbank Den Haag heeft op 14 juli 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser voerde aan dat vanaf het begin geen zicht op uitzetting bestond, wat een schending van artikel 5 EVRM Pro zou zijn, en dat de minister een lichter middel had moeten toepassen.

De rechtbank oordeelde dat het beroep ongegrond is. Uit eerdere uitspraken bleek dat er in algemene zin wel zicht op uitzetting naar Algerije was, ondanks het ontbreken van een presentatie in persoon. De minister mocht tijd nemen om stappen te ondernemen en was afhankelijk van de Algerijnse autoriteiten. Het feit dat de bewaring na bijna zes maanden werd opgeheven vanwege het ontbreken van een presentatie en medewerking van eiser, leidt niet tot een ander oordeel.

Verder stelde de rechtbank vast dat er geen andere minder dwingende maar doeltreffende maatregelen mogelijk waren en dat het risico van onttrekking te groot was om een lichter middel toe te passen. De minister heeft gedurende de bewaring uitzettingshandelingen verricht. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De uitspraak is definitief en niet vatbaar voor hoger beroep.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.29457

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),
en

de minister van Asiel en Migratie,

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 10 januari 2025.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. De oplegging van de maatregel van bewaring is getoetst bij de uitspraak van 28 januari 2025. [1] Het voortduren van de maatregel van bewaring is getoetst bij de uitspraak van 21 februari 2025 [2] , bij de uitspraak van 13 maart 2025 [3] en bij de uitspraak van 3 april 2025 [4] . Het vorige vervolgberoep is bij uitspraak van 27 mei 2025 beoordeeld. [5]
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. De minister heeft op 25 juni 2025 de maatregel van bewaring opgeheven naar aanleiding van een belangenafweging. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 10 juli 2025 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.

Overwegingen

Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. [6]
1.1.
Uit de uitspraak van 27 mei 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 20 mei 2025) rechtmatig is.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
2. Eiser betoogt dat het duidelijk was dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn vanaf het begin van de inbewaringstelling ontbrak. Hiermee is onzorgvuldig gehandeld. Gedurende de inbewaringstelling is namelijk geen enkele presentatie in persoon aan Algerije gerealiseerd, terwijl er zonder presentatie geen laissez-passer wordt gegeven. Dit is voor de minister ook reden geweest om de bewaring op te heffen. Het ontbreken van een reëel zicht op uitzetting bij een maatregel is een schending van artikel 5 EVRM Pro.
2.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank merkt op dat deze grond eerder is aangevoerd in de beroepen die hebben geleid tot de uitspraken van 13 maart 2025, 3 april 2025 en 27 mei 2025. De rechtbank heeft in die uitspraken geconcludeerd dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting naar Algerije. [7] Het tijdsverloop is sinds de uitspraak van 27 mei 2025 niet zodanig dat de rechtbank daarin aanleiding ziet om op dit moment anders over de beroepsgrond te oordelen. Dat er geen presentatie in persoon is gerealiseerd doet niet af aan het oordeel. De minister mag namelijk enige tijd gegund worden om de juiste stappen te ondernemen en keuzes te maken om een uitzetting te bewerkstelligen. De minister is immers afhankelijk van de Algerijnse autoriteiten om een presentatie in persoon te plannen. Dat de minister na bijna zes maanden heeft besloten om de bewaring op te heffen omdat er geen presentatie in persoon heeft plaatsgevonden, dan wel een vaststelling van de identiteit en nationaliteit van eiser leidt niet tot een ander oordeel. Immers hieruit blijkt, anders dan eiser stelt, niet dat het vanaf het begin van de maatregel van bewaring dan wel vanaf het moment sluiten onderzoek in het eerdere beroep, 20 mei 2024, het zicht op uitzetting ontbrak. Daar komt bij dat de minister in zijn belangenafweging ook laat meewegen dat eiser, ondanks herhaaldelijk hierop te zijn gewezen, niet meewerkt aan het realiseren van terugkeer. Aangezien zicht op uitzetting niet uitgesloten kon worden gedurende de inbewaringstelling van eiser heeft de minister niet onzorgvuldig of in strijd met artikel 5 EVRM Pro gehandeld.
Had de minister een lichter middel moeten opleggen?
3. Eiser voert aan dat de minister een lichter middel had moeten opleggen. De minister heeft namelijk geen alternatieven maatregelen toegepast.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat uit de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd volgt er in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Dit is in eerdere uitspraken ook geoordeeld. De niet onderbouwde stelling van eiser dat een meldplicht passender zou zijn, doet niet af aan het onttrekkingsrisico. Het risico bij het opleggen van een lichter middel was namelijk nog steeds te groot. Dat de maatregel enkel diende om druk uit te oefenen op eiser wordt niet gevolgd. Zoals blijkt uit de voortgangsrapportage heeft de minister gedurende de inbewaringstelling uitzettingshandelingen verricht om uitzetting te bewerkstelligen.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [8]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 28 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1068.
2.Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 21 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2788.
3.Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 13 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3946.
4.Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 3 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5591.
5.Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 27 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9445.
6.Op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
7.ABRvS 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892.
8.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.