ECLI:NL:RBDHA:2025:3084

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 februari 2025
Publicatiedatum
28 februari 2025
Zaaknummer
NL25.6068
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

De minister legde op 10 januari 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser, een Griekse nationaliteit dragende vreemdeling. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank hield een telehoorzitting die wegens een alarmsituatie werd aangehouden en hervatte de behandeling op 28 februari 2025.

De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel vanaf het sluiten van het vooronderzoek op 24 januari 2025. Eiser voerde aan dat het vooronderzoek niet tijdig was gesloten en dat de uitspraak niet binnen de wettelijke termijn was gedaan, maar deze gronden werden verworpen. De rechtbank stelde vast dat het vooronderzoek met de uitnodiging van 14 februari 2025 was gesloten, binnen de vereiste termijn van zeven dagen na het instellen van het beroep.

Verder oordeelde de rechtbank dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister voerde meerdere stappen aan, waaronder vertrekgesprekken en het aanvragen van een reisdocument bij de Griekse autoriteiten. De rechtbank vond dat hiermee meer dan gebruikelijke voortvarendheid was betracht. Er was geen aanwijzing dat de Griekse autoriteiten niet meewerkten of geen laissez-passer zouden afgeven.

Ten slotte concludeerde de rechtbank dat er geen aanleiding was om een lichter middel toe te passen dan bewaring, noch dat de bewaring onevenredig bezwarend was geworden. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.6068

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M.A. Krikke),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).

Inleiding

1. De minister heeft op 10 januari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
1.3.
De rechtbank heeft partijen uitgenodigd voor een telehoorzitting op 21 februari 2025. Op die datum bleek het niet mogelijk om eiser te horen wegens een alarmsituatie in het detentiecentrum Rotterdam. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geopend en de behandeling aangehouden met toestemming van partijen. De rechtbank heeft de behandeling vervolgens hervat op 28 februari 2025. Eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen. De gemachtigde van eiser heeft deelgenomen middels videoverbinding. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

2. Eiser stelt van Griekse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum].
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 30 januari 2025 (in de zaak NL25.1507) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 24 januari 2025.
4. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Is de termijn voor het sluiten van het vooronderzoek overschreden?
5. Eiser voert aan dat de termijn voor het sluiten van het vooronderzoek is overschreden. Volgens eiser bedraagt deze termijn zeven dagen na instellen van het beroep. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraken van deze rechtbank zittingsplaatsen Den Bosch en Den Haag. [1] Eiser is niet gebleken van een sluiting van het vooronderzoek. De maatregel van bewaring is hierdoor onrechtmatig. Voorts voert eiser aan dat de uitspraak niet binnen 21 dagen na de ontvangst van het beroep is gedaan en dat de bewaring ook om die reden onrechtmatig is.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het vooronderzoek tijdig is gesloten. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft op 7 februari 2025 beroep ingesteld. Op 14 februari 2025 heeft de rechtbank partijen uitgenodigd om op zitting te verschijnen. Met deze uitnodiging voor behandeling van het beroep ter zitting heeft de rechtbank het vooronderzoek gesloten. Dit is zeven dagen na instellen van het beroep en daarmee is voldaan aan de termijn als bedoeld in artikel 96, eerste lid van de Vw. Dat de behandeling van het beroep ter zitting uiteindelijk op 21 februari 2025 is aangehouden en eiser opnieuw is uitgenodigd betekent niet dat het vooronderzoek niet al op 14 februari 2025 is gesloten.
5.2
De stelling dat de bewaring onrechtmatig is omdat de uitspraak niet binnen 21 dagen na het instellen beroep is gedaan, treft geen doel reeds omdat met de uitspraak van vandaag op de 21e dag na het instellen beroep uitspraak is gedaan.
Werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser?
6. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend aan zijn uitzetting werkt. Eiser is een Unieburger en bij een uitzetting van een Unieburger moet een meer dan gebruikelijke voortvarendheid worden betracht. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 november 2022. [2] Eiser stelt dat er sinds 6 februari 2025 geen handelingen zijn verricht.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage en het verhandelde ter zitting blijkt dat de minister in de beoordelingsperiode een vertrekgesprek heeft gevoerd met eiser op 27 januari 2025 en dat op 6 februari 2025 door DIA de aanvraag voor een reisdocument is verzonden naar de Griekse autoriteiten. Verder is op 26 februari 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat het tijdsverloop tussen de digitale verzending naar DIA op 10 januari 2025 en het indienen van de aanvraag op 6 februari 2025 te maken had met het feit dat er aantal acties nodig waren. Zo moest de identiteitskaart van eiser worden vertaald, moest nog worden gecontroleerd of de foto op de ID-kaart nog actueel was, was de achterkant van de ID-kaart niet goed gescand en was er nog informatie nodig over ouders en halfbroer. Daarin waren de vertragingen gelegen. De rechtbank acht dit handelen voldoende voortvarend en overweegt dat de minister hiermee meer dan gebruikelijke voortvarendheid betracht. De rechtbank is van oordeel dat het feit dat er nog geen rappel is gestuurd niet leidt tot een andere conclusie.
Zicht op uitzetting en lichter middel
6.1.
De rechtbank ziet ambtshalve toetsend geen aanleiding om in het algemeen of in het geval van eiser te oordelen dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Griekenland ontbreekt. Niet is gebleken dat de Griekse autoriteiten niet meewerken of dat zij te kennen hebben gegeven geen laissez-passer (lp) voor eiser te zullen afgeven.
6.2.
De rechtbank overweegt tot slot dat eiser geen feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat de bewaring in de beoordelingsprocedure onevenredig bezwarend is geworden of waarin de minister aanleiding had moeten zien een lichter middel op te leggen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Uitspraak van 26 maart 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:2915 en uitspraak van 26 augustus 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:8729.