ECLI:NL:RBDHA:2025:4873
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel bewaring en voortvarendheid uitzetting Unieburger
De minister heeft op 10 januari 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser, een Griekse Unieburger. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep behandeld via telehoren op 21 maart 2025.
De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel vanaf 28 februari 2025, het moment van sluiting van het vorige onderzoek. Eiser betoogde dat de minister onvoldoende voortvarend was in de uitzetting, aangezien er slechts eenmaal per maand werd gerappelleerd en vertrekgesprekken werden gevoerd, terwijl bij Unieburgers een hogere voortvarendheid vereist is.
De rechtbank oordeelde echter dat de minister sinds 10 maart 2025 wekelijks heeft gerappelleerd en op 19 maart 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd, waarmee meer dan gebruikelijke voortvarendheid is betracht. Eiser had telefonisch contact met het Griekse consulaat over een laissez-passer, maar de minister kon dit niet bevestigen. De rechtbank verzocht de minister dit te verifiëren.
Er was geen aanleiding te twijfelen aan medewerking van de Griekse autoriteiten of aan het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.