Eiser is veroordeeld voor een geweldsdelict en kreeg een zwaar inreisverbod van tien jaar opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Hij stelde dat het inreisverbod onterecht is omdat hij geen actuele en ernstige bedreiging vormt en dat de duur van tien jaar niet gemotiveerd is. Daarnaast betoogde eiser dat zijn medische situatie onvoldoende is meegewogen en dat de strafrechtelijke detentie hem belette gehoor te geven aan de vertrektermijn.
De rechtbank overweegt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat het geweldsdelict een werkelijke, actuele en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Ook is de minister bevoegd om op grond van artikel 6.5a, vijfde lid, Vreemdelingenbesluit 2000, een inreisverbod van tien jaar op te leggen bij een geweldsdelict. De persoonlijke omstandigheden, waaronder de medische situatie van eiser, zijn voldoende meegewogen en vormen geen reden om af te zien van het inreisverbod.
De rechtbank wijst het beroep af en oordeelt dat de strafrechtelijke detentie de vertrektermijn niet opschort. Het besluit tot oplegging van het inreisverbod is zorgvuldig gemotiveerd en rechtmatig. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter J.L. Boxum op 21 mei 2025 te Groningen.