Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2025 in de zaken tussen
[eiser], v-nummer: [nummer 1], eiser
[kind 3],
Rechtbank Den Haag
Eisers dienden asielaanvragen in Nederland in, maar de minister nam deze niet in behandeling omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is. Eisers voerden aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Frankrijk niet toegepast mag worden vanwege tekortkomingen in het Franse asielsysteem en opvang.
De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel terecht wordt toegepast, omdat de problemen in Frankrijk niet structureel en ernstig genoeg zijn om een reëel risico op schending van mensenrechten aan te nemen. Eisers stelden ook dat hun oudste dochter bijzonder kwetsbaar is in de zin van het arrest Tarakhel, maar zij konden dit niet met recente medische documenten aannemelijk maken.
Voorts werd betoogd dat de overdracht in strijd is met het arrest C.K. vanwege mogelijke aanzienlijke en onomkeerbare gezondheidsachteruitgang, maar ook dit werd niet bewezen. Ten slotte voerden eisers aan dat de minister de aanvragen op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro naar zich toe had moeten trekken, wat de rechtbank eveneens afwees wegens gebrek aan bijzondere omstandigheden.
De beroepen zijn ongegrond verklaard, waarbij de rechtbank benadrukte dat het aan eisers is om met concrete bewijzen aan te tonen dat het Franse systeem tekortschiet en dat hun dochter bijzondere zorg behoeft die in Frankrijk niet beschikbaar is. De minister heeft voldoende gemotiveerd waarom de aanvragen niet in behandeling zijn genomen.
Uitkomst: De beroepen tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen zijn ongegrond verklaard.