Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Algerijnse derdelander die rechtmatig verbleef in Oekraïne, kreeg tijdelijke bescherming in Nederland na de inval in Oekraïne. Verweerder besloot op 7 februari 2024 de tijdelijke bescherming te beëindigen en eisers terugkeer naar Algerije te gelasten. Na jurisprudentie van het Hof van Justitie en de Afdeling bestuursrechtspraak werd het eerdere besluit vervangen door een nieuw terugkeerbesluit van 6 september 2025.
Eiser voerde aan dat het terugkeerbesluit prematuur was, omdat niet was onderzocht of Nederland toezeggingen had gedaan over de duur van de facultatieve bescherming, en dat verweerder onvoldoende had getoetst aan het EVRM en de beginselen van evenredigheid, rechtszekerheid en vertrouwen. Ook stelde eiser dat hij niet was gehoord en dat het terugkeerbesluit in strijd was met het verbod op refoulement.
De rechtbank oordeelde dat het vervangende besluit voldoet aan de Terugkeerrichtlijn en dat geen toezeggingen zijn gedaan die het eerdere beëindigen van de bescherming verbieden. De bevriezingsmaatregel werd als feitelijke opschorting gezien, niet als rechtmatig verblijf. Er was geen sprake van schending van het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank vond dat een individuele belangenafweging niet vereist was en dat eiser voldoende gelegenheid had gehad om te reageren op het voornemen tot terugkeerbesluit.
Ten aanzien van het non-refoulementbeginsel oordeelde de rechtbank dat er geen onmiskenbaar risico was aangetoond en verwees naar de mogelijkheid van een asielprocedure. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar vanwege het gebrek in het oorspronkelijke besluit werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen het beëindigen van de tijdelijke bescherming en het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld in de proceskosten.