Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10238

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
NL24.8379
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 3 EVRMRichtlijn 2001/55/EGRichtlijn 2008/115/EGArt. 15 Richtlijn Tijdelijke Bescherming
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen beëindiging tijdelijke bescherming derdelander Oekraïne ongegrond verklaard

Eiser, een Turkse nationaliteit dragende derdelander die rechtmatig in Oekraïne verbleef, kreeg tijdelijke bescherming in Nederland na de inval in Oekraïne. Verweerder besloot op 7 februari 2024 de tijdelijke bescherming te beëindigen per 4 maart 2024, waarna eiser binnen vier weken Nederland moest verlaten. Na diverse prejudiciële vragen en uitspraken van hogere instanties werd het beroep aangehouden en later hervat met een vervangend terugkeerbesluit van 6 augustus 2025.

Eiser voerde aan dat het terugkeerbesluit prematuur was, omdat niet was onderzocht of Nederland een toezegging had gedaan de facultatieve bescherming niet eerder te beëindigen dan de verplichte bescherming. Ook stelde hij dat verweerder niet had getoetst aan artikel 3 EVRM Pro en dat er geen individuele belangenafweging was gemaakt, in strijd met het evenredigheids-, rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Daarnaast stelde eiser dat hij als partner van een Oekraïense burger aanspraak maakte op afgeleid verblijfsrecht.

De rechtbank oordeelde dat het vervangende besluit aan de wettelijke vereisten voldoet, dat geen toezeggingen zijn gedaan die het vertrouwen van eiser rechtvaardigen, en dat het evenredigheidsbeginsel niet van toepassing is omdat de bescherming van rechtswege eindigt. Ook is geen sprake van een reëel risico op schending van het non-refoulementbeginsel bij terugkeer naar Turkije. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.

De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskosten van eiser wegens het gebrek in het oorspronkelijke besluit. Het beroep wordt afgewezen, het terugkeerbesluit blijft van kracht.

Uitkomst: Het beroep tegen het beëindigen van de tijdelijke bescherming wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.8379

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A.A. Hardoar),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. R.E. Thijssen).

Procesverloop

In het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming [1] , en dat hij binnen vier weken na die datum moet terugkeren naar zijn/haar land van herkomst.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
De rechtbank heeft het beroep aangehouden in afwachting van de beantwoording van de aan het Hof [2] gestelde prejudiciële vragen in de verwijzingsuitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4394, en van de Afdeling [3] van 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742.
Het Hof heeft deze vragen beantwoord in het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak [naam 1] en [naam 2] . Vervolgens zijn op 23 april 2025 de einduitspraken van de Afdeling verschenen (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836) en is op 10 juli 2025 de einduitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, verschenen (ECLI:NL:RBAMS:2025:4843).
Naar aanleiding van deze uitspraken heeft verweerder op 6 augustus 2025 een vervangend terugkeerbesluit genomen. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb [4] heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dit besluit. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op dit besluit en de hiervoor genoemde jurisprudentie te reageren.
Eiser heeft aanvullende beroepsgronden ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1983 en heeft de Turkse nationaliteit.
2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’.
3. In het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming en Nederland binnen vier weken na die datum moet verlaten. Vervolgens is er onduidelijkheid ontstaan over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit. Daarom heeft verweerder de gevolgen van dit besluit bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt, maar blijft gelden voor personen zoals eiser die nog een lopende procedure hebben. [5] In het aanvullende besluit van 6 september 2025 heeft verweerder bepaald dat het eerdere besluit te vroeg is genomen en dat eiser binnen vier weken na deze uitspraak Nederland moet verlaten.
4. Eiser is het niet eens met de besluiten van 7 februari 2024 en 6 augustus 2025. Hij voert, kort weergegeven, aan dat verweerder zijn tijdelijke bescherming niet mag beëindigen. Uit het arrest [naam 1] en [naam 2] volgt dat het eerder beëindigen van facultatieve tijdelijke bescherming alleen is toegestaan indien er door de lidstaat geen toezegging is gedaan dat de facultatieve bescherming niet eerder zal worden beëindigd dan de verplichte tijdelijke bescherming. De Afdeling heeft deze toets in haar drie uitspraken van 23 april 2025 weggelaten. Zo lang niet is onderzocht of Nederland de bewuste toezegging heeft gedaan, is het terugkeerbesluit prematuur. Verder heeft verweerder ten onrechte niet getoetst aan artikel 3 van Pro het EVRM [6] en heeft verweerder in strijd met het evenredigheids-, rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel geen individuele belangenafweging gedaan. Ook had verweerder eiser moeten horen alvorens het terugkeerbesluit op te leggen. Eiser merkt verder op dat hij als partner van een Oekraïense burger die onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming valt, in aanmerking komt voor een afgeleid verblijfsrecht. Eiser en zijn partner hebben sinds 8 april 2023 een duurzame relatie en wonen samen in [woonplaats] sinds 13 oktober 2023. Eiser meent in aanmerking te komen voor een afgeleid verblijfsrecht.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. In het arrest [naam 1] en [naam 2] en de daarop gevolgde einduitspraken is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Met het vervangende besluit is de tijdelijke bescherming van eiser na die datum beëindigd. Niet gebleken is dat eiser op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, dan wel dat hij een aanvraag daartoe heeft lopen. Het vervangende besluit vermeldt dat hij binnen vier weken moet terugkeren naar Turkije. Daarmee voldoet het vervangende besluit aan de vereisten van de Terugkeerrichtlijn. [7]
6. Omdat de bevriezingsmaatregel niet anders kan worden gekwalificeerd dan als een feitelijke opschorting, en daarmee dus niet als rechtmatig verblijf, is ook geen sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel. Daarbij komt dat verweerder geen toezeggingen heeft gedaan waaruit de ‘derdelanders Oekraïne’ mochten afleiden dat zij altijd hetzelfde zouden worden behandeld als Oekraïners of dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 zoals hiervoor aangehaald, en van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32. Dergelijke toezeggingen zijn evenmin uit het dossier van eiser op te maken. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen.
7. Verder heeft de Afdeling in haar uitspraken geconcludeerd dat schending van het Unierechtelijke rechtszekerheids- of het vertrouwensbeginsel niet aan de orde is. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Daarnaast is de rechtbank, evenals de Afdeling van oordeel dat aan het evenredigheidsbeginsel niet wordt toegekomen omdat de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 van rechtswege afloopt. Daarom is voor een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel in een individueel geval geen plaats. Eisers betoog dat er in strijd met het evenredigheidsbeginsel geen individuele belangenafweging heeft plaatsgevonden, slaagt daarom eveneens niet.
8. Ten aanzien van eisers betoog dat verweerder bij het opleggen van het terugkeerbesluit had moeten toetsen of eiser bij terugkeer naar Turkije te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met het verbod op refoulement, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het [arrest] [8] volgt dat verweerder verplicht is om het beginsel van non-refoulement in alle fasen van de terugkeerprocedure te eerbiedigen. De terugkeerprocedure is echter niet de plaats om een diepgaand onderzoek uit te voeren. De asielprocedure van eiser is buiten behandeling gesteld. Eiser heeft geen rechtsmiddelen ingesteld tegen die beschikking. Eiser heeft ook niet in een zienswijze aangevoerd dat hij vreest voor een reëel risico van schending van artikel 3 van Pro het EVRM bij terugkeer naar Turkije. In beroep heeft eiser ook geen dergelijke stelling ingenomen. De rechtbank oordeelt dat uit het door eiser aangevoerde niet aanstonds en zonder diepgaand onderzoek onmiskenbaar blijkt dat sprake is van een risico op refoulement bij terugkeer naar Turkije. Zoals verweerder terecht heeft aangegeven, staat het eiser vrij om een asielaanvraag in te dienen, waarbij er onderzoek kan worden verricht naar eisers asielmotieven.
9. Volgens artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, en artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 kan eiser enkel als gezinslid een verblijfsrecht aan de RTB ontlenen aan de tijdelijke bescherming hier te lande van zijn partner als er al vóór de inval door Rusland in Oekraïne sprake was van een duurzame relatie. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit het geval was.
10. Eisers beroepsgrond dat hij niet is gehoord voordat een terugkeerbesluit is genomen slaagt ook niet. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 4 juni 2025 een voornemen tot het nemen van een terugkeerbesluit heeft uitgebracht. Vervolgens heeft eiser op dit voornemen gereageerd met een zienswijze. Eiser is daarmee voldoende in de gelegenheid gesteld om feiten en omstandigheden naar voren te brengen voordat het vervangende terugkeerbesluit werd genomen, waardoor niet is gebleken van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
11. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding om het aangevulde besluit onrechtmatig te achten vanwege strijd met het beginsel van non-refoulement, en verwijst hierbij naar het eerdergenoemde arrest in de zaak [arrest] .
12. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het vervangende terugkeerbesluit blijft in stand.
13. Omdat het oorspronkelijke besluit gelet op het arrest [naam 1] en [naam 2] en de daarop gevolgde einduitspraken een gebrek bevatte, is het beroep in zoverre terecht ingediend en bestaat er aanleiding om verweerder de veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld). Plus een punt voor de zitting.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is op 29 april 2026 gedaan door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG, RTB.
2.Het Hof van Justitie van de Europese Unie.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Algemene wet bestuursrecht.
5.https://ind.nl/nl/nieuws/bevriezingsmaatregel-derdelanders-oekraine-stopt-op-4-september-2025.
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
7.Richtlijn 2008/115/EG.
8.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.