ECLI:NL:RBDHA:2026:12657

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
SGR 26/1461
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 3 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen door UWV in medische herbeoordelingszaak WIA-uitkering

Stichting Zorgpartners Midden-Holland heeft namens een (ex-)werkneemster beroep ingesteld tegen het UWV wegens het uitblijven van een beslissing op een herbeoordelingsverzoek van een WIA-uitkering, ingediend op 28 maart 2023. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn van negen weken, zoals voorgeschreven in artikel 8:55d Awb, is overschreden en dat het UWV ondanks een dwangsombesluit van € 1.442,- nog geen besluit heeft genomen.

De rechtbank oordeelt dat in deze medische zaken, waarbij een verzekeringsarts een medisch advies moet geven, sprake is van een bijzonder geval dat een langere termijn kan rechtvaardigen. Op basis van eerdere uitspraken wordt het UWV een termijn van zes weken gegeven om de medische beoordeling te verrichten en drie weken daarna om het besluit te nemen, in totaal maximaal negen weken na verzending van deze uitspraak.

Het UWV heeft aangegeven dat het tekort aan verzekeringsartsen de vertraging veroorzaakt en dat prioriteit wordt gegeven aan spoedeisende zaken, maar kon geen concrete datum voor de medische beoordeling noemen. De rechtbank legt daarom een dwangsom van € 100,- per dag op met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt.

Daarnaast wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten aan eiseres. De rechtbank behandelt deze zaak samen met meerdere soortgelijke zaken vanwege samenhang en gelijke rechtsbijstand. Het UWV wordt opgedragen binnen negen weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen.

Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen binnen negen weken alsnog te beslissen en een dwangsom opgelegd voor overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/1461

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen

Stichting Zorgpartners Midden-Holland, uit Gouda, eiseres

([gemachtigde 1]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
([gemachtigde 2]).

Inleiding

1. [naam], (ex-)werkneemster van eiseres, ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Op 28 maart 2023 heeft eiseres verzocht om een herbeoordeling van het recht van de (ex-)werkneemster op deze WIA-uitkering.
1.1.
Eiseres heeft op 11 februari 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op het herbeoordelingsverzoek.
1.2.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn om te beslissen op het herbeoordelingsverzoek is overschreden. Eiseres heeft het Uwv in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 5 oktober 2023 tot het moment waarop beroep is ingesteld zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het herbeoordelingsverzoek. Het beroep is gegrond.
3. Het Uwv heeft op 6 december 2023 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres een bestuurlijke dwangsom van € 1.442,- is toegekend.
4. Omdat het Uwv nog geen besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het Uwv dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.1.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv te sommeren een beslissing te nemen in deze zaak.
4.2.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de heroverweging nog niet heeft kunnen plaatsvinden vanwege het tekort aan verzekeringsartsen.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. [1] In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheden dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.
4.4.
In twee uitspraken van 31 maart 2025 [2] heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.
4.5.
Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. [3]
5. Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat zaken waarin het nog niet uitvoeren van een herbeoordeling kan leiden tot ernstige problemen met voorrang worden opgepakt door de afdeling Sociaal Medische zaken. In deze zaak kan er niet worden aangegeven op welke termijn de herbeoordeling zal kunnen plaatsvinden. Het is de rechtbank niet gebleken dat al bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.
6. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. [4]
7. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
8. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank beschouwt de zaken met zaaknummer SGR 26/1157, SGR 26/1461, SGR 26/1464, SGR 26/1480, SGR 26/1608, SGR 26/1610 en SGR 26/1613 als samenhangend in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De beroepen in die zaken zijn door de rechtbank gelijktijdig behandeld, en in die zaken is rechtsbijstand verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Omdat sprake is van meer dan drie samenhangende zaken geldt bij de berekening van de proceskosten een factor 1,5. [5] De proceskostenvergoeding stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 700,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5 (licht) en een factor 1,5 voor het aantal samenhangende zaken). In verband met de samenhang wordt aan elke zaak een zevende deel toegekend. Daarmee bedraagt de kostenvergoeding in de onderhavige zaak € 100,07.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 100,07 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van
S.C.M. Lodder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.
2.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.2.
3.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.
4.https://www.rechtspraak.nl/onderwerpen/overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/extra-dwangsom.
5.Zie de bijlage van het Bpb, onderdeel C2.