Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13218

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
09/755015-10 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 9a SrArt. 3 OpiumwetArt. 511b lid 1 SvArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit exploitatie coffeeshops met correctie wegens termijnoverschrijding

De rechtbank Den Haag behandelde de ontnemingsvordering tegen de veroordeelde, die eerder door het gerechtshof Amsterdam is veroordeeld voor het feitelijk leidinggeven aan verboden gedragingen binnen de exploitatie van coffeeshops. De ontnemingsvordering werd aanvankelijk ingediend in 2014, maar door procesverloop en eerdere niet-ontvankelijkverklaringen is de zaak meerdere malen terugverwezen en opnieuw behandeld.

De rechtbank oordeelde dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vordering ondanks overschrijding van de wettelijke termijn, vanwege bijzondere omstandigheden en kennis van de veroordeelde over de procedure. De grondslag voor ontneming is gelegen in artikel 36e Sr, waarbij de rechtbank bevestigde dat ook bij een schuldigverklaring zonder strafoplegging ontneming mogelijk is.

De rechtbank schatte het wederrechtelijk verkregen voordeel op €1.964.173,00, gebaseerd op een transactieberekening van salaris, dividend en huurinkomsten uit de exploitatie van coffeeshops, en een kasopstelling van contante uitgaven. De betalingsverplichting werd gematigd tot €1.054.068,75 vanwege een correctie van 50% voor de rol van de overheid en een extra matiging van 10% wegens ernstige overschrijding van de redelijke termijn. De gijzelingstermijn werd gemaximeerd op 1080 dagen.

Uitkomst: De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €1.964.173 en legt een betalingsverplichting op van €1.054.068,75 met een gijzelingstermijn van maximaal 1080 dagen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/755015-10 (ontneming)
Datum uitspraak: 22 mei 2026
Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 25 april 2025, 20 juni 2025 (beide regie) en 10 april 2026 (inhoudelijk).
Er heeft een voorbereiding plaatsgevonden met een schriftelijke conclusiewisseling tussen de officier van justitie en de verdediging. De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud daarvan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie, mr. H.C. Vermaseren, op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de veroordeelde en zijn raadsman, mr. J.T.E. Vis, op de terechtzitting naar voren is gebracht.

2.De inhoud van de vordering

De inleidende schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 3.056.266,00 en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.

3.De ontvankelijkheid

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vordering tot ontneming.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de veroordeelde op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot ontneming wegens schending van de bij artikel 511b lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gestelde termijn.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Procesverloop
De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 511b lid 1 Sv volgt dat een vordering van het Openbaar Ministerie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) zo spoedig mogelijk doch uiterlijk twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg bij de rechtbank aanhangig wordt gemaakt.
Arrest van de Hoge Raad van 21 december 2021
De rechtbank stelt vast dat de Hoge Raad bij arrest van 21 december 2021 in onderhavige zaak heeft geoordeeld dat het eerdere oordeel van het gerechtshof Den Haag dat het Openbaar Ministerie niet de 'nodige voortvarendheid' had betracht bij het opnieuw indienen van de ontnemingsvordering en dat daarom het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk was in die vordering, niet zonder meer begrijpelijk was. Volgens de Hoge Raad had het hof nader moeten motiveren waarom zich geen 'bijzondere omstandigheid' voordeed en waarom van het Openbaar Ministerie kon worden gevergd dat het nog vóór het verstrijken van de in artikel 511b lid 1 Sv genoemde termijn op 21 december 2014, dezelfde ontnemingsvordering nogmaals bij de rechtbank aanhangig zou maken.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 21 december 2021 de uitspraak van het hof vernietigd en de zaak naar het hof teruggewezen.
Arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 augustus 2023
Ter terechtzitting van 24 augustus 2023 heeft het gerechtshof Den Haag het preliminaire verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie verworpen. Vervolgens hebben zowel de verdediging als de advocaat-generaal verzocht om terugwijzing van de zaak naar de rechtbank.
Naar het oordeel van het hof was de eerste rechter ten onrechte niet toegekomen aan de inhoudelijke behandeling en beoordeling van de ontnemingsvordering. Het hof heeft de zaak teruggewezen naar de rechtbank.
3.3.2.
Beoordeling van het ontvankelijkheidsverweer
De rechtbank constateert dat uit het arrest van 24 augustus 2023 van het hof volgt dat zij het preliminaire ontvankelijkheidsverweer van de verdediging ongegrond heeft verklaard, maar dat daarbij een motivering ontbreekt. Gelet hierop en omdat de verdediging bij de conclusierondes en tijdens het onderzoek ter terechtzitting haar ontvankelijkheidsverweer opnieuw in volle omvang heeft gevoerd, acht de rechtbank het noodzakelijk een gemotiveerde beslissing te nemen op het door de verdediging gevoerde verweer.
Uit het procesverloop blijkt dat de initiële vordering tot ontneming aanhangig is gemaakt bij de rechtbank in 2014 en dat dit tijdig was. De rechtbank heeft het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in die vordering omdat er op dat moment in de strafzaak geen sprake was van een veroordeling als bedoeld in artikel 36e Sr, nu het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk had verklaard in de vervolging. De omstandigheid dat destijds niet is toegekomen aan een inhoudelijk oordeel met betrekking tot de ontnemingsvordering, houdt dus louter verband met het feit dat nog geen sprake was van een veroordeling in de strafzaak.
Nadat de veroordeelde door het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 3 november 2016 alsnog werd veroordeeld, heeft het Openbaar Ministerie op 17 november 2017 opnieuw een ontnemingsvordering ingediend bij de rechtbank. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke termijn waarbinnen deze vordering aanhangig had moeten worden gemaakt, is overschreden. Er zijn immers meer dan twee jaren verstreken na de uitspraak in eerste aanleg bij de rechtbank. Evenwel is de rechtbank van oordeel dat uit hetgeen zij reeds hiervoor heeft overwogen volgt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat voornoemde termijnoverschrijding niet de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie als rechtsgevolg dient te hebben. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat – gelet op het procesverloop – de veroordeelde er rekening mee diende te houden dat (wederom) een ontnemingsprocedure aan de orde zou zijn. De veroordeelde was er zodoende destijds al van op de hoogte dat een ontnemingsprocedure zou (kunnen) volgen. Een situatie waarbij de veroordeelde wordt overvallen door de ontnemingsvordering is geenszins aan de orde.
3.4.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vordering tot ontneming.

4.De grondslag voor ontneming

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de grondslag voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is gelegen in artikel 36e Sr (oud) voor zover de ontneming ziet op de periode vóór 1 juli 2011 en artikel 36e Sr voor zover de ontneming ziet op de periode daarna.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot ontneming dient te worden afgewezen. Voor zover relevant gaat de rechtbank hierna nader in op hetgeen door de verdediging is aangevoerd.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 november 2016
De veroordeelde is op 3 november 2016 door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens de volgende feiten:
  • in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;
  • in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;
  • in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;
  • gewoontewitwassen, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;
  • deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Het gerechtshof heeft aan de veroordeelde geen straf of maatregel opgelegd (artikel 9a Sr).
4.3.2.
Toepassing van artikel 9a Sr en ontneming
De rechtbank stelt voorop dat uit de Checkpoint-jurisprudentie van het gerechtshof Den Haag (arresten van 16 september 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1671 en ECLI:NL:GHDHA:2020:1672) en de Hoge Raad (HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:68 en ECLI:NL:HR:2022:67) volgt dat een schuldigverklaring zonder oplegging van straf niet met zich brengt dat een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden afgewezen.
Voor zover de verdediging heeft betoogd dat in onderhavige zaak evengoed geen grondslag bestaat voor het ontnemen van wederechtelijk verkregen voordeel, overweegt de rechtbank daarover als volgt.
Uit het door de verdediging aangehaalde arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (18 april 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:4306) blijkt dat het gerechtshof heeft vastgesteld dat de betreffende coffeeshop in die zaak werd gedoogd en dat niet is gebleken dat de betrokkene de gedoogvoorwaarden voor de verkoop van softdrugs heeft overtreden. De rechtbank is zich ervan bewust dat ook in onderhavige zaak sprake is van de zogenaamde ‘achterdeurproblematiek’ bij het gedoogbeleid ten aanzien van de exploitatie van coffeeshops. Evenwel constateert de rechtbank dat uit het veroordelend arrest van het gerechtshof Amsterdam in onderhavige zaak – anders dan in de Bossche zaak – volgt dat de gedoogvoorwaarden wél zijn overschreden. Verder volgt uit het arrest van het gerechtshof Amsterdam dat ‘de veroordeelde als deelnemer van het gestructureerde samenwerkingsverband dat zag op de exploitatie van een drietal coffeeshops zich welbewust heeft begeven buiten de aan het gemeentelijk gedogen verbonden grenzen’. Het gerechtshof was dan ook van oordeel dat reeds gelet daarop sprake was van een organisatie die gericht was op het plegen van strafbare gedragingen. Gelet op die vaststellingen doet de situatie in het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch zich hier niet voor en gaat de vergelijking dus niet op.
Naar het oordeel van de rechtbank is wel sprake van een situatie die aansluit bij het oordeel van de Hoge Raad in het Black Widow-arrest (4 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1965), waaruit volgt dat in het geval een betrokkene de grenzen van het gedoogbeleid overschrijdt hij in beginsel niet erop mag vertrouwen dat niet strafrechtelijk zal worden opgetreden. Volgens de Hoge Raad moet in een zodanig geval in beginsel al het uit die handel in softdrugs verkregen voordeel geacht worden wederrechtelijk verkregen te zijn.
4.4.
Conclusie
Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de toepassing van artikel 9a Sr in de onderliggende strafzaak niet in de weg staat aan het aannemen van een grondslag voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het verweer slaagt derhalve niet.

5.De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

5.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich bij de berekening gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, opgemaakt op 8 april 2014 naar aanleiding van het strafrechtelijk financieel onderzoek dat naar de veroordeelde is ingesteld. De conclusie van dit rapport is dat het door de veroordeelde totale wederrechtelijk verkregen voordeel € 3.056.266,00 bedraagt, bestaande uit salaris, dividenduitkeringen, (huur)inkomsten, contante uitgaven en vervolgprofijt.
De officier van justitie komt op een ander bedrag uit dan is berekend in het rapport, omdat zij bij de berekening uitgaat van een andere ontnemingsperiode, namelijk de periode van 1 januari 2008 tot 28 november 2011. Ook is volgens de officier van justitie het vervolgprofijt niet aannemelijk geworden.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op een bedrag van € 1.964.173,00.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het primaire standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel moet worden afgewezen. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op onderdelen dient te worden gematigd.
5.3.
Bewijsmiddelen
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. Het in de strafzaak tegen de veroordeelde op 3 november 2016 gewezen arrest van het gerechtshof Amsterdam;
2. Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel met bijlagen dat op 8 april 2014 is opgemaakt naar aanleiding van het strafrechtelijk financieel onderzoek dat naar de veroordeelde is ingesteld.
5.4.
Oordeel van de rechtbank
5.4.1.
Transactieberekening
De rechtbank gaat voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de volgende berekening. De bij deze berekening gebruikte aantallen en bedragen ontleent de rechtbank aan de inhoud van de genoemde wettige bewijsmiddelen. Redengevend voor deze schatting zijn de daar vermelde feiten, omstandigheden en gevolgtrekkingen.
Periode
Het wederechtelijk verkregen voordeel is in het rapport berekend over de periode van 23 november 2005 tot en met 28 november 2011 conform artikel 36e lid 2 Sr.
In het rapport is de startdatum 23 november 2005 gehanteerd omdat op die datum in een ruimte boven De Kroeg aan de [adres 2] in totaal 47,53 kilogram softdrugs werd aangetroffen. In de betreffende ruimte werden de veroordeelde en [medevoordeelde] aangetroffen. Uit het strafblad van de veroordeelde blijkt dat hij van dat feit is vrijgesproken.
De rechtbank ziet overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie aanleiding om de ontneming waar het gaat om de transactieberekening te beperken tot de periode tussen 1 januari 2008 tot 28 november 2011. Dat is de periode waarin zich de hiervoor genoemde bewezen verklaarde feiten hebben plaatsgevonden.
Geldstromen vanuit [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] B.V. naar de veroordeelde
De rechtbank stelt vast dat de veroordeelde voor 97% aandeelhouder was van de rechtspersonen [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] BV. en dat de overige 3% van de aandelen in handen is van de rechtspersonen onderling. De rechtbank stelt verder vast dat uit het rapport blijkt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel in beginsel bij [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] B.V. is neergeslagen. Voornoemde bedrijven hebben enkel omzet gegenereerd met de drie aan hen gelieerde coffeeshops. [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] B.V. hadden dus enkel omzet uit de exploitatie van verschillende coffeeshops. Deze exploitatie vond, zoals al is overwogen, plaats zonder daarbij de gedoogvoorwaarden in acht te nemen. Al het voordeel dat is verkregen uit de handel in softdrugs kan daarmee in beginsel worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel. Een betaling door deze vennootschappen aan de veroordeelde verandert dat niet. Daarbij neemt de rechtbank de positie als grootaandeelhouder van de vennootschappen in aanmerking. Het voorgaande betekent dat de bedragen die als salaris, dividend, huur en hypotheeklasten zijn betaald door de vennootschappen als wederrechtelijk verkregen voordeel voor de veroordeelde moeten worden aangemerkt. Ten aanzien van de omvang, overweegt de rechtbank per categorie als volgt.
Salaris
In totaal gaat het om een bedrag ter hoogte van € 522.683,00 bruto over de periode 1 januari 2006 tot en met 28 november 2011.
De verdediging heeft betoogd dat ter zake van het ontvangen salaris moet worden uitgegaan van nettobedragen. De rechtbank volgt de verdediging hierin niet. Het fiscale mechanisme houdt in dat voor zover belasting is verschuldigd over wederrechtelijk voordeel, die belastingheffing weer ongedaan wordt gemaakt indien en voor zover dat voordeel weer wordt ontnomen (vgl. HR 17 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0947, en HR 12 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:1). Indien de rechter bij de bepaling van de omvang van het voor ontneming vatbare wederrechtelijk verkregen voordeel rekening zou houden met de daarover reeds geheven of nog te heffen belasting, door de daarmee gemoeide bedragen in mindering te brengen, dan zou er - onder het vigerende belastingrecht - een onevenwichtig, en onbedoeld resultaat worden bereikt. Omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zijn gesteld noch gebleken. De rechtbank zal daarom geen rekening houden met belastingheffing bij het bepalen van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de ontnemingsperiode, wordt het bruto salaris van de jaren 2006 (€ 43.117,00) en 2007 (€ 40.468,00) niet in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel betrokken.
De rechtbank neemt de volgende bedragen in aanmerking:
PERIODE:
BRUTO SALARIS:
01-01-2008 t/m 31-12-2008
€ 107.212,00
01-01-2009 t/m 31-12-2009
€ 122.214,00
01-01-2010 t/m 31-12-2010
€ 130.020,00
01-01-2011 t/m 28-11-2011
€ 79.652,00 [1]
TOTAAL:
€ 439.098,00
De rechtbank leidt uit de som van bovenstaande bedragen af dat de veroordeelde in totaal een bedrag ter hoogte van € 439.098,00 bruto aan salaris heeft ontvangen in de periode van 1 januari 2008 tot 28 november 2011.
Dividenduitkeringen
De veroordeelde heeft enkel over 2008 vanuit beide ondernemingen dividenduitkeringen ontvangen.
De veroordeelde heeft van [bedrijfsnaam 1] B.V. een bedrag ter hoogte van € 233.333,00 aan dividenduitkeringen ontvangen. Daarnaast heeft hij van [bedrijfsnaam 2] B.V. dividenduitkeringen ontvangen ter hoogte van € 350.000,00. De som van deze bedragen komt neer op een bedrag ter hoogte van in totaal € 583.333,00.
(Huur)inkomsten
Voorts blijkt uit het rapport dat de veroordeelde huurpenningen ontving uit [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] B.V. Bij de berekening van de door de veroordeelde genoten huurinkomsten, neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Over de periode van 1 januari 2006 tot en met 28 november 2011 betrof dit in totaal € 995.156,00. Dit bedrag bestaat uit:
€ 572.000,00 huurontvangsten van [bedrijfsnaam 1] B.V. en € 56.000,00 huurontvangsten [bedrijfsnaam 2] B.V. Dit komt neer op een bedrag van in totaal € 628.000,00;
€ 367.156,00 ontvangsten van [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] B.V. in verband met de betaling door [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] B.V. van de hypotheek van het woonhuis van de veroordeelde aan de Boerhaaveweg 30 te Noordwijk.
Ad 1. € 628.000,00 aan huurontvangsten
Uit het rapport volgt dat deze kosten in de boekhouding van [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] B.V. als huurkosten zijn geboekt. De huurkosten in de boekhouding zijn in totaal voor [bedrijfsnaam 1] B.V. over de jaren 2006 en 2007: € 71.650,00 (2006) + € 76.935,00 (2007) = € 148.585,00.
Dit bedrag is afgerond [2] 20% van de totale huurkosten 2006 tot en met 2011 die geboekt staan in de administratie voor € 749.329,00.
In verband met de correctie 2006 en 2007 wordt van het oorspronkelijke in de ontnemingsrapportage opgenomen huurbedrag bij [bedrijfsnaam 1] B.V. van € 572.000, verlaagd met afgerond [3] 20%, hetgeen neerkomt op € 113.422,00.
Het gecorrigeerde huurbedrag ten aanzien van [bedrijfsnaam 1] B.V. dat in de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt betrokken bedraagt dan: € 572.000,00 – € 113.422,00 = € 458.578,00.
Voor wat betreft de huurinkomsten uit [bedrijfsnaam 2] B.V. betekent dit het volgende. De totale huurkosten in de boekhouding zijn voor [bedrijfsnaam 2] B.V. over de jaren 2006 en 2007: € 60.000 (2006) + € 59.800 (2007) = € 119.800,00.
Dit bedrag is afgerond [4] 27% van de totale huurkosten 2006 tot en met 2011 die geboekt staan in de administratie voor € 449.230,24.
In verband met de correctie 2006 en 2007 wordt van het oorspronkelijke in de ontnemingsrapportage opgenomen huurbedrag bij [bedrijfsnaam 2] B.V. van € 56.000,00, verlaagd met afgerond [5] 27%, hetgeen neerkomt op € 14.934,00.
Het gecorrigeerde huurbedrag ten aanzien van [bedrijfsnaam 2] B.V. dat in de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt betrokken bedraagt dan: € 56.000,00 – € 14.934,00 = € 41.066,00.
Ad 2. € 367.156,00 ontvangsten i.v.m. hypotheekbetalingen Boerhaaveweg 30 te Noordwijk
De rechtbank volgt de officier van justitie ten aanzien van de opmerking dat in het proces-verbaal ASH-136 een rekenfout staat bij de optelling van het bedrag van € 367.156,00. De bedragen die optellen tot dit bedrag komen in werkelijkheid uit op een bedrag van € 367.997,00. Derhalve is er een verschil van € 841,00. Dit verschil zal de rechtbank meenemen in haar verdere berekening. Evengoed ziet zij, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de jaren van 2006 en 2007, aanleiding om € 60.000,00 (2006) en € 55.000,00 (2007) in mindering te brengen op het te berekenen wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het voormelde brengt de rechtbank tot de volgende berekening voor wat betreft de ontvangsten van [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 1] B.V. in verband met de betaling van de hypotheeklasten voor de woning van de veroordeelde: € 367.156,00 + € 841,00 –
€ 60.000,00 – € 55.000,00 = € 252.997,00.
Tussenconclusie (huur)ontvangsten
Gelet op de hiervoor besproken posten, berekent de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel uit (huur)ontvangsten als volgt: € 458.578,00 + € 41.066,00 + € 252.997,00 = € 752.641,00.
Vervolgprofijt vastgoed
In de ontnemingsrapportage is uiteengezet dat de veroordeelde vervolgprofijt zou hebben genoten uit vastgoed. Het zou gaan om een bedrag ter hoogte van € 765.993,00. De officier van justitie heeft bij nadere conclusie van eis geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat door de veroordeelde wederrechtelijk vervolgprofijt is genoten en heeft daar nadien bij gepersisteerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om anders te oordelen.
Conclusie transactieberekening
De rechtbank concludeert dat de som van het ontvangen brutosalaris (€ 439.098,00), de ontvangen dividenduitkeringen (€ 583.333,00) en de huurinkomsten (€ 752.641,00) optelt tot een bedrag ter hoogte van € 1.775.072,00.
5.4.2.
Kasopstelling
Voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde is onderzoek gedaan naar de contante uitgaven van de veroordeelde in de periode van 1 januari 2006 tot en met juni 2011. De rechtbank zal ten behoeve van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de hand van het rapport met bijlagen, het beginsaldo aan contant geld, de legale contante ontvangsten, het eindsaldo aan contant geld en de contante uitgaven vaststellen.
Indien het bedrag aan contante uitgaven de beschikbare legale (contante) gelden overstijgt, bestaat daarin in beginsel grond om deze inkomsten als wederrechtelijk verkregen voordeel aan te merken.
Ten aanzien van de periode waarover het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt berekend heeft de verdediging betoogd dat sprake is van een incongruentie. Die bestaat volgens de verdediging hierin dat bij de transactieberekening wordt uitgegaan van een periode die start in 2008 terwijl de officier van justitie bij de kasopstelling het jaar 2006 als startpunt neemt. De rechtbank overweegt dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van de kasopstelling niet vereist dat een specifiek misdrijf kan worden aangewezen. Dat de veroordeelde voorafgaand aan 2008 voor het bezit van een hoeveelheid softdrugs is vrijgesproken, betekent dan ook niet dat er in het geheel geen sprake meer kan zijn van wederrechtelijk verkregen voordeel en ‘andere strafbare feiten’ als bedoeld in artikel 36e lid 3 Sr. De rechtbank ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen aanleiding om te komen tot een kortere periode waar het gaat om de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van de kasopstelling.
De rechtbank komt op basis van het rapport en de bijlagen tot de volgende vaststellingen en berekening.
Contante stortingen/opnamen van privé, gezamenlijke en zakelijke bankrekeningen
De rechtbank stelt op basis van het rapport en de daarbij behorende bijlagen vast dat per saldo € 17.902,00 contant op de (privé)bankrekeningen van de veroordeelde is gestort in de periode 2006 tot en met 2011.
Daarnaast is er in de periode van 26 september 2005 tot en met 1 januari 2011 per saldo € 30.000,00 contant opgenomen van de bankrekeningen van [bedrijfsnaam 3] B.V. en [bedrijfsnaam 4] B.V.
Verder is met betrekking tot de bankrekeningen op naam van de veroordeelde met respectievelijk [naam 1] en [naam 2] per saldo een bedrag ter hoogte van € 101.701,00 contant gestort.
Contante uitgaven met betrekking tot de aanschaf van voertuigen
Voorts is gebleken dat de veroordeelde op respectievelijk 22 februari en 8 mei 2006, alsmede op 25 mei 2011 met contant geld voertuigen heeft aangeschaft. Het ging daarbij om een Fiat Grande Punto (€ 11.645,00), een Fiat Punto (€ 13.500,00) en een Fendt camper (€ 6.000,00).
Daarnaast is op 15 juni 2006 door [naam 3] een Chrysler Voyager aangeschaft waarvoor onder meer € 4.353,00 contant is betaald.
Naar het oordeel van de rechtbank leidt de som van voornoemde bedragen tot de conclusie dat er in de periode van 23 november 2005 tot en met 28 november 2011 voor totaal € 35.498,00 contant is betaald bij de aankoop van voertuigen.
Contante betaling van een feest in Hotel Huis ter Duin
Ten slotte volgt uit het financieel onderzoek naar de veroordeelde dat er op [datum] 2011 een feest is gehouden in hotel Huis ter Duin te Noordwijk. De veroordeelde heeft de rekening inclusief fooi ter hoogte van € 4.000,00 met contanten voldaan.
Legale bron van inkomsten?
De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat uit het onderzoek niet is gebleken dat de veroordeelde beschikte over legale contanten. Het is daarom de vraag of de hierboven weergegeven uitgaven anderszins kunnen worden gerelateerd aan een legale inkomstenbron.
De verdediging heeft in dit kader betoogd dat er een aannemelijke legale bron voor de vermoede uitgaven bestaat. Zo heeft de verdediging erop gewezen dat de veroordeelde wel een verklaring heeft afgelegd voor de herkomst van het geld. Het gaat meer specifiek om een erfenis die in contanten is ontvangen, contante stortingen die niet door de veroordeelde maar door (toenmalige) zakenpartners Brandt en Oudendal op de tegengeworpen rekening zijn gedaan en geplaatst startkapitaal op rekeningen van twee vennootschappen dat contant is opgenomen nadat deze nooit actief zijn geworden. Daar is volgens de verdediging geen enkel onderzoek naar gedaan.
De rechtbank overweegt dat hetgeen de verdediging heeft gesteld met betrekking tot de legale herkomst van de uitgaven onvoldoende aannemelijk is geworden, nu zij niet over stukken beschikt die deze verweren onderbouwen. De omstandigheid dat het Openbaar Ministerie de verklaringen niet nader heeft onderzocht, maakt dit niet anders. Immers, de veroordeelde heeft geen concrete en verifieerbare verklaringen over de herkomst van het geld gegeven. De enkele stellingen van de verdediging zijn zonder nadere onderbouwing onvoldoende om het vermoeden, bedoeld in artikel 36e lid 3 Sr, te weerleggen. Dat de uitgaven voortkomen uit een legale bron van inkomsten is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden.
Conclusie kasopstelling
Op basis van het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde moet worden betrokken een bedrag van € 189.101,00, bestaande uit contante gelden waarvan het aannemelijk is dat deze afkomstig waren uit andere strafbare feiten.
De rechtbank merkt daarbij op dat geen sprake is van dubbeltelling met het hiervoor berekende wederrechtelijk verkregen voordeel door de veroordeelde op basis van de transactieberekening. Het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van de transactieberekening betreft uitsluitend giraal geld, terwijl bij de kasopstelling enkel contante gelden bij de berekening in aanmerking zijn genomen.
5.5.
Conclusie schatting wederrechtelijk verkregen voordeel
Op grond van het voorgaande schat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 1.964.173,00.

6.De vaststelling van de betalingsverplichting

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op een lager bedrag dan het door haar geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, namelijk € 1.076.637,00, omdat ten aanzien van de transactieberekening rekening moet worden gehouden met een correctie van 50% die doorgaans in soortgelijke zaken wordt gehanteerd.
Daarnaast heeft de officier van justitie zich primair op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn niet is overschreden, omdat het tijdsverloop volledig voor rekening dient te komen van de veroordeelde. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat – indien de rechtbank anders zou oordelen – de schending per procesfase dient te worden beoordeeld, in welk geval hooguit geconcludeerd kan worden dat sprake is van een geringe schending en een matiging van € 5.000,00 op de betalingsverplichting kan worden toegepast.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting op nihil moet worden vastgesteld.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
6.3.1.
Ten aanzien van de transactieberekening
De rechtbank constateert op basis van de aangehaalde Checkpoint-jurisprudentie alsmede uitspraken in soortgelijke zaken dat bij de vaststelling van de betalingsverplichting doorgaans rekening wordt gehouden met enerzijds de omstandigheden waaronder het wederrechtelijk verkregen voordeel is verkregen, de rol van de overheid en de mate waarin de overheid ten gevolge van de exploitatie van de coffeeshop inkomsten heeft genoten, terwijl anderzijds rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat het maatschappelijk niet aanvaardbaar wordt geacht dat een veroordeelde al het door hem met strafbare feiten verdiende geld mag behouden. Voornoemde afweging heeft, blijkens de jurisprudentie in soortgelijke zaken, breed toepassing gevonden. De rechtbank stelt op basis van soortgelijke zaken vast dat bij het vaststellen van de betalingsverplichting doorgaans een correctie van 50% plaatsvindt vanwege de rol van de overheid in brede zin.
De rechtbank ziet – voor zover dit het wederrechtelijk verkregen voordeel volgens de transactieberekening betreft – aanleiding om ook in onderhavige zaak de nader te bepalen betalingsverplichting te matigen tot 50% van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit betekent dat de betalingsverplichting in beginsel wordt bepaald op een bedrag ter hoogte van € 982.086,50.
6.3.2.
Ten aanzien van de kasopstelling
Zoals onder 5.4.2. van dit vonnis is overwogen, komt de rechtbank tot de conclusie dat de veroordeelde volgens een berekening aan de hand van een kasopstelling wederrechtelijk verkregen voordeel heeft gehad ter hoogte van € 189.101,00.
Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding om de hiervoor bepaalde matiging van de betalingsverplichting met 50% eveneens toe te passen op het berekende wederrechtelijk voordeel aan de hand van de kasopstelling. Derhalve zal de rechtbank het voornoemde bedrag volledig meenemen in de bepaling van de betalingsverplichting.
6.3.3.
Overschrijding van de redelijke termijn
De verdediging heeft betoogd dat de redelijke termijn is overschreden en dat deze overschrijding moet leiden tot vermindering van het vast te stellen ontnemingsbedrag.
De rechtbank stelt voorop dat de redelijke termijn aanvangt op het moment dat vanwege de Nederlandse staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
In deze ontnemingszaak gaat de rechtbank uit van een aanvang van de redelijke termijn op 17 november 2017, de dag waarop de ontnemingsvordering (opnieuw) door het Openbaar Ministerie bij de rechtbank Den Haag aanhangig is gemaakt. De rechtbank wijst vonnis op 22 mei 2026, ruim 8 jaar en zes maanden na aanvang van de redelijke termijn.
De rechtbank stelt vast dat de zaak een zeer lange voorgeschiedenis kent. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet uitsluitend aan de proceshouding van de veroordeelde of de verdediging te wijten.
Op grond van het hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn in ernstige mate is overschreden en dat deze overschrijding aanvullende matiging van het ontnemingsbedrag tot gevolg moet hebben.
Zoals reeds onder 6.3.1. en 6.3.2. van dit vonnis is besproken, is de rechtbank van oordeel dat de betalingsverplichting – voor zover dit het wederrechtelijk verkregen voordeel volgens de transactieberekening betreft – in beginsel met 50% dient te worden gecorrigeerd tot een bedrag van € 982.086,50. Vervolgens wordt dit bedrag vermeerderd met het wederrechtelijk verkregen voordeel dat is berekend met behulp van de kasopstelling, hetgeen neerkomt op een totaalbedrag van € 1.171.187,50.
Gelet op het totale proces- en tijdsverloop zal de rechtbank daarnaast een correctie toepassen van 10% ter hoogte van € 117.118,75. De rechtbank zal dit bedrag in mindering brengen op de vast te stellen betalingsverplichting.
6.4.
Conclusie vaststelling betalingsverplichting
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank de betalingsverplichting vast op een bedrag van € 1.054.068,75.

7.Het toepasselijke wetsartikel

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals die bepaling ten tijde van belang gold.

8.De beslissing

De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 1.964.173,00;
legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van
€ 1.054.068,75aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de duur van de
gijzelingdie met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op
1080 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P. van Essen, voorzitter,
mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, rechter,
mr. S. Pereth, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. D.D. Jongen, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 mei 2026.

Voetnoten

1.Uit het rapport volgt dat dit 11/12 deel betreft van de periode tot en met 28 november 2011.
2.In werkelijkheid wordt gerekend met (148.585 / 749.329) x 100 = 19,82907374%.
3.In werkelijkheid wordt gerekend met (113.422 / 572.000) x 100 = 19,829020979%.
4.In werkelijkheid wordt gerekend met (119.800 / 449.230,24) x 100 = 26,66783964%.
5.In werkelijkheid wordt gerekend met (14.934 / 56.000) x 100 = 26,667857143%.