Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De inhoud van de vordering
3.De ontvankelijkheid
4.De grondslag voor ontneming
- in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;
- in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;
- in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;
- gewoontewitwassen, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;
- deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
5.De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
6.De vaststelling van de betalingsverplichting
7.Het toepasselijke wetsartikel
8.De beslissing
€ 1.964.173,00;
€ 1.054.068,75aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
gijzelingdie met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op
1080 dagen.