5.4.1.Transactieberekening
De rechtbank gaat voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de volgende berekening. De bij deze berekening gebruikte aantallen en bedragen ontleent de rechtbank aan de inhoud van de genoemde wettige bewijsmiddelen. Redengevend voor deze schatting zijn de daar vermelde feiten, omstandigheden en gevolgtrekkingen.
Periode
Het wederechtelijk verkregen voordeel is in het rapport berekend over de periode van 23 november 2005 tot en met 28 november 2011 conform artikel 36e lid 2 Sr.
In het rapport is de startdatum 23 november 2005 gehanteerd omdat op die datum in een ruimte boven De Kroeg aan de [adres 2] in totaal 47,53 kilogram softdrugs werd aangetroffen. In de betreffende ruimte werden de veroordeelde en [medevoordeelde] aangetroffen. Uit het strafblad van de veroordeelde blijkt dat hij van dat feit is vrijgesproken.
De rechtbank ziet overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie aanleiding om de ontneming waar het gaat om de transactieberekening te beperken tot de periode tussen 1 januari 2008 tot 28 november 2011. Dat is de periode waarin zich de hiervoor genoemde bewezen verklaarde feiten hebben plaatsgevonden.
Geldstromen vanuit [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] B.V. naar de veroordeelde
De rechtbank stelt vast dat de veroordeelde voor 97% aandeelhouder was van de rechtspersonen [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] BV. en dat de overige 3% van de aandelen in handen is van de rechtspersonen onderling. De rechtbank stelt verder vast dat uit het rapport blijkt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel in beginsel bij [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] B.V. is neergeslagen. Voornoemde bedrijven hebben enkel omzet gegenereerd met de drie aan hen gelieerde coffeeshops. [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] B.V. hadden dus enkel omzet uit de exploitatie van verschillende coffeeshops. Deze exploitatie vond, zoals al is overwogen, plaats zonder daarbij de gedoogvoorwaarden in acht te nemen. Al het voordeel dat is verkregen uit de handel in softdrugs kan daarmee in beginsel worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel. Een betaling door deze vennootschappen aan de veroordeelde verandert dat niet. Daarbij neemt de rechtbank de positie als grootaandeelhouder van de vennootschappen in aanmerking. Het voorgaande betekent dat de bedragen die als salaris, dividend, huur en hypotheeklasten zijn betaald door de vennootschappen als wederrechtelijk verkregen voordeel voor de veroordeelde moeten worden aangemerkt. Ten aanzien van de omvang, overweegt de rechtbank per categorie als volgt.
Salaris
In totaal gaat het om een bedrag ter hoogte van € 522.683,00 bruto over de periode 1 januari 2006 tot en met 28 november 2011.
De verdediging heeft betoogd dat ter zake van het ontvangen salaris moet worden uitgegaan van nettobedragen. De rechtbank volgt de verdediging hierin niet. Het fiscale mechanisme houdt in dat voor zover belasting is verschuldigd over wederrechtelijk voordeel, die belastingheffing weer ongedaan wordt gemaakt indien en voor zover dat voordeel weer wordt ontnomen (vgl. HR 17 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0947, en HR 12 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:1). Indien de rechter bij de bepaling van de omvang van het voor ontneming vatbare wederrechtelijk verkregen voordeel rekening zou houden met de daarover reeds geheven of nog te heffen belasting, door de daarmee gemoeide bedragen in mindering te brengen, dan zou er - onder het vigerende belastingrecht - een onevenwichtig, en onbedoeld resultaat worden bereikt. Omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zijn gesteld noch gebleken. De rechtbank zal daarom geen rekening houden met belastingheffing bij het bepalen van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de ontnemingsperiode, wordt het bruto salaris van de jaren 2006 (€ 43.117,00) en 2007 (€ 40.468,00) niet in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel betrokken.
De rechtbank neemt de volgende bedragen in aanmerking:
PERIODE:
BRUTO SALARIS:
01-01-2008 t/m 31-12-2008
€ 107.212,00
01-01-2009 t/m 31-12-2009
€ 122.214,00
01-01-2010 t/m 31-12-2010
€ 130.020,00
01-01-2011 t/m 28-11-2011
€ 79.652,00
TOTAAL:
€ 439.098,00
De rechtbank leidt uit de som van bovenstaande bedragen af dat de veroordeelde in totaal een bedrag ter hoogte van € 439.098,00 bruto aan salaris heeft ontvangen in de periode van 1 januari 2008 tot 28 november 2011.
Dividenduitkeringen
De veroordeelde heeft enkel over 2008 vanuit beide ondernemingen dividenduitkeringen ontvangen.
De veroordeelde heeft van [bedrijfsnaam 1] B.V. een bedrag ter hoogte van € 233.333,00 aan dividenduitkeringen ontvangen. Daarnaast heeft hij van [bedrijfsnaam 2] B.V. dividenduitkeringen ontvangen ter hoogte van € 350.000,00. De som van deze bedragen komt neer op een bedrag ter hoogte van in totaal € 583.333,00.
(Huur)inkomsten
Voorts blijkt uit het rapport dat de veroordeelde huurpenningen ontving uit [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] B.V. Bij de berekening van de door de veroordeelde genoten huurinkomsten, neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Over de periode van 1 januari 2006 tot en met 28 november 2011 betrof dit in totaal € 995.156,00. Dit bedrag bestaat uit:
€ 572.000,00 huurontvangsten van [bedrijfsnaam 1] B.V. en € 56.000,00 huurontvangsten [bedrijfsnaam 2] B.V. Dit komt neer op een bedrag van in totaal € 628.000,00;
€ 367.156,00 ontvangsten van [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] B.V. in verband met de betaling door [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] B.V. van de hypotheek van het woonhuis van de veroordeelde aan de Boerhaaveweg 30 te Noordwijk.
Ad 1. € 628.000,00 aan huurontvangsten
Uit het rapport volgt dat deze kosten in de boekhouding van [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] B.V. als huurkosten zijn geboekt. De huurkosten in de boekhouding zijn in totaal voor [bedrijfsnaam 1] B.V. over de jaren 2006 en 2007: € 71.650,00 (2006) + € 76.935,00 (2007) = € 148.585,00.
Dit bedrag is afgerond20% van de totale huurkosten 2006 tot en met 2011 die geboekt staan in de administratie voor € 749.329,00.
In verband met de correctie 2006 en 2007 wordt van het oorspronkelijke in de ontnemingsrapportage opgenomen huurbedrag bij [bedrijfsnaam 1] B.V. van € 572.000, verlaagd met afgerond20%, hetgeen neerkomt op € 113.422,00.
Het gecorrigeerde huurbedrag ten aanzien van [bedrijfsnaam 1] B.V. dat in de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt betrokken bedraagt dan: € 572.000,00 – € 113.422,00 = € 458.578,00.
Voor wat betreft de huurinkomsten uit [bedrijfsnaam 2] B.V. betekent dit het volgende. De totale huurkosten in de boekhouding zijn voor [bedrijfsnaam 2] B.V. over de jaren 2006 en 2007: € 60.000 (2006) + € 59.800 (2007) = € 119.800,00.
Dit bedrag is afgerond27% van de totale huurkosten 2006 tot en met 2011 die geboekt staan in de administratie voor € 449.230,24.
In verband met de correctie 2006 en 2007 wordt van het oorspronkelijke in de ontnemingsrapportage opgenomen huurbedrag bij [bedrijfsnaam 2] B.V. van € 56.000,00, verlaagd met afgerond27%, hetgeen neerkomt op € 14.934,00.
Het gecorrigeerde huurbedrag ten aanzien van [bedrijfsnaam 2] B.V. dat in de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt betrokken bedraagt dan: € 56.000,00 – € 14.934,00 = € 41.066,00.
Ad 2. € 367.156,00 ontvangsten i.v.m. hypotheekbetalingen Boerhaaveweg 30 te Noordwijk
De rechtbank volgt de officier van justitie ten aanzien van de opmerking dat in het proces-verbaal ASH-136 een rekenfout staat bij de optelling van het bedrag van € 367.156,00. De bedragen die optellen tot dit bedrag komen in werkelijkheid uit op een bedrag van € 367.997,00. Derhalve is er een verschil van € 841,00. Dit verschil zal de rechtbank meenemen in haar verdere berekening. Evengoed ziet zij, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de jaren van 2006 en 2007, aanleiding om € 60.000,00 (2006) en € 55.000,00 (2007) in mindering te brengen op het te berekenen wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het voormelde brengt de rechtbank tot de volgende berekening voor wat betreft de ontvangsten van [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 1] B.V. in verband met de betaling van de hypotheeklasten voor de woning van de veroordeelde: € 367.156,00 + € 841,00 –
€ 60.000,00 – € 55.000,00 = € 252.997,00.
Tussenconclusie (huur)ontvangsten
Gelet op de hiervoor besproken posten, berekent de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel uit (huur)ontvangsten als volgt: € 458.578,00 + € 41.066,00 + € 252.997,00 = € 752.641,00.
Vervolgprofijt vastgoed
In de ontnemingsrapportage is uiteengezet dat de veroordeelde vervolgprofijt zou hebben genoten uit vastgoed. Het zou gaan om een bedrag ter hoogte van € 765.993,00. De officier van justitie heeft bij nadere conclusie van eis geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat door de veroordeelde wederrechtelijk vervolgprofijt is genoten en heeft daar nadien bij gepersisteerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om anders te oordelen.
Conclusie transactieberekening
De rechtbank concludeert dat de som van het ontvangen brutosalaris (€ 439.098,00), de ontvangen dividenduitkeringen (€ 583.333,00) en de huurinkomsten (€ 752.641,00) optelt tot een bedrag ter hoogte van € 1.775.072,00.
5.4.2.Kasopstelling
Voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde is onderzoek gedaan naar de contante uitgaven van de veroordeelde in de periode van 1 januari 2006 tot en met juni 2011. De rechtbank zal ten behoeve van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de hand van het rapport met bijlagen, het beginsaldo aan contant geld, de legale contante ontvangsten, het eindsaldo aan contant geld en de contante uitgaven vaststellen.
Indien het bedrag aan contante uitgaven de beschikbare legale (contante) gelden overstijgt, bestaat daarin in beginsel grond om deze inkomsten als wederrechtelijk verkregen voordeel aan te merken.
Ten aanzien van de periode waarover het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt berekend heeft de verdediging betoogd dat sprake is van een incongruentie. Die bestaat volgens de verdediging hierin dat bij de transactieberekening wordt uitgegaan van een periode die start in 2008 terwijl de officier van justitie bij de kasopstelling het jaar 2006 als startpunt neemt. De rechtbank overweegt dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van de kasopstelling niet vereist dat een specifiek misdrijf kan worden aangewezen. Dat de veroordeelde voorafgaand aan 2008 voor het bezit van een hoeveelheid softdrugs is vrijgesproken, betekent dan ook niet dat er in het geheel geen sprake meer kan zijn van wederrechtelijk verkregen voordeel en ‘andere strafbare feiten’ als bedoeld in artikel 36e lid 3 Sr. De rechtbank ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen aanleiding om te komen tot een kortere periode waar het gaat om de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van de kasopstelling.
De rechtbank komt op basis van het rapport en de bijlagen tot de volgende vaststellingen en berekening.
Contante stortingen/opnamen van privé, gezamenlijke en zakelijke bankrekeningen
De rechtbank stelt op basis van het rapport en de daarbij behorende bijlagen vast dat per saldo € 17.902,00 contant op de (privé)bankrekeningen van de veroordeelde is gestort in de periode 2006 tot en met 2011.
Daarnaast is er in de periode van 26 september 2005 tot en met 1 januari 2011 per saldo € 30.000,00 contant opgenomen van de bankrekeningen van [bedrijfsnaam 3] B.V. en [bedrijfsnaam 4] B.V.
Verder is met betrekking tot de bankrekeningen op naam van de veroordeelde met respectievelijk [naam 1] en [naam 2] per saldo een bedrag ter hoogte van € 101.701,00 contant gestort.
Contante uitgaven met betrekking tot de aanschaf van voertuigen
Voorts is gebleken dat de veroordeelde op respectievelijk 22 februari en 8 mei 2006, alsmede op 25 mei 2011 met contant geld voertuigen heeft aangeschaft. Het ging daarbij om een Fiat Grande Punto (€ 11.645,00), een Fiat Punto (€ 13.500,00) en een Fendt camper (€ 6.000,00).
Daarnaast is op 15 juni 2006 door [naam 3] een Chrysler Voyager aangeschaft waarvoor onder meer € 4.353,00 contant is betaald.
Naar het oordeel van de rechtbank leidt de som van voornoemde bedragen tot de conclusie dat er in de periode van 23 november 2005 tot en met 28 november 2011 voor totaal € 35.498,00 contant is betaald bij de aankoop van voertuigen.
Contante betaling van een feest in Hotel Huis ter Duin
Ten slotte volgt uit het financieel onderzoek naar de veroordeelde dat er op [datum] 2011 een feest is gehouden in hotel Huis ter Duin te Noordwijk. De veroordeelde heeft de rekening inclusief fooi ter hoogte van € 4.000,00 met contanten voldaan.
Legale bron van inkomsten?
De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat uit het onderzoek niet is gebleken dat de veroordeelde beschikte over legale contanten. Het is daarom de vraag of de hierboven weergegeven uitgaven anderszins kunnen worden gerelateerd aan een legale inkomstenbron.
De verdediging heeft in dit kader betoogd dat er een aannemelijke legale bron voor de vermoede uitgaven bestaat. Zo heeft de verdediging erop gewezen dat de veroordeelde wel een verklaring heeft afgelegd voor de herkomst van het geld. Het gaat meer specifiek om een erfenis die in contanten is ontvangen, contante stortingen die niet door de veroordeelde maar door (toenmalige) zakenpartners Brandt en Oudendal op de tegengeworpen rekening zijn gedaan en geplaatst startkapitaal op rekeningen van twee vennootschappen dat contant is opgenomen nadat deze nooit actief zijn geworden. Daar is volgens de verdediging geen enkel onderzoek naar gedaan.
De rechtbank overweegt dat hetgeen de verdediging heeft gesteld met betrekking tot de legale herkomst van de uitgaven onvoldoende aannemelijk is geworden, nu zij niet over stukken beschikt die deze verweren onderbouwen. De omstandigheid dat het Openbaar Ministerie de verklaringen niet nader heeft onderzocht, maakt dit niet anders. Immers, de veroordeelde heeft geen concrete en verifieerbare verklaringen over de herkomst van het geld gegeven. De enkele stellingen van de verdediging zijn zonder nadere onderbouwing onvoldoende om het vermoeden, bedoeld in artikel 36e lid 3 Sr, te weerleggen. Dat de uitgaven voortkomen uit een legale bron van inkomsten is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden.
Conclusie kasopstelling
Op basis van het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde moet worden betrokken een bedrag van € 189.101,00, bestaande uit contante gelden waarvan het aannemelijk is dat deze afkomstig waren uit andere strafbare feiten.
De rechtbank merkt daarbij op dat geen sprake is van dubbeltelling met het hiervoor berekende wederrechtelijk verkregen voordeel door de veroordeelde op basis van de transactieberekening. Het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van de transactieberekening betreft uitsluitend giraal geld, terwijl bij de kasopstelling enkel contante gelden bij de berekening in aanmerking zijn genomen.