Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Syrische nationaliteit, diende op 24 december 2024 een asielaanvraag in Nederland in, stellende te vrezen voor terugkeer vanwege de onveilige situatie in Syrië, met name Aleppo. De minister van Asiel en Migratie wees het verzoek af wegens het ontbreken van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade.
De rechtbank behandelde het beroep op 20 mei 2026 en oordeelde dat verweerder terecht uitging van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië, ondersteund door het Algemeen Ambtsbericht 2025 en 2026. De door eiser aangevoerde informatie over aanhoudend geweld en humanitaire omstandigheden gaf onvoldoende aanleiding om dit oordeel te herzien.
Verder concludeerde de rechtbank dat eiser geen individuele omstandigheden had aangevoerd die hem een verhoogd risico op ernstige schade bij terugkeer zouden geven. Ook werd geoordeeld dat de humanitaire omstandigheden niet in overwegende mate samenhangen met het huidige gewapende conflict, zodat artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 EVRM Pro niet van toepassing zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Eiser kan binnen vier weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van de Syrische asielzoeker wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van individuele omstandigheden die een verhoogd risico op ernstige schade bij terugkeer aantonen.