ECLI:NL:RBDHA:2026:14478
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Frankrijk
Eiser, afkomstig uit Pakistan, heeft meerdere asielaanvragen ingediend in verschillende EU-lidstaten, waaronder Oostenrijk, Frankrijk en Nederland. De Nederlandse minister van Asiel en Migratie nam zijn aanvraag niet in behandeling omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Eerder had de rechtbank Haarlem het besluit onzorgvuldig bevonden, maar de rechtsgevolgen in stand gelaten.
Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt omdat Frankrijk zijn vorige aanvraag niet in behandeling nam en hij op straat kwam te staan, wat volgens hem een structureel tekort in de Franse asielprocedure aantoont. De rechtbank oordeelt echter dat eiser onvoldoende concrete aanwijzingen heeft geleverd dat Frankrijk structureel tekortschiet en dat het AIDA-rapport 2024 dit niet ondersteunt.
Verder stelde eiser dat Nederland de aanvraag aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening vanwege zijn huwelijk met een vrouw die in Nederland asiel heeft aangevraagd. De rechtbank vindt dat de minister in redelijkheid terughoudend is geweest en dat het huwelijk onvoldoende bijzondere omstandigheden vormt om de overdracht aan Frankrijk te weigeren.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter H.J. Schaberg.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.